Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd in 2001 en gingen feitelijk uit elkaar in 2012. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De vrouw verzoekt in hoger beroep een hogere bijdrage van de man voor de kosten van de kinderen en een uitkering tot haar levensonderhoud. De man voert verweer en betwist zijn draagkracht.
Het hof oordeelt dat de man ontvankelijk is in zijn verweer ondanks het te laat betalen van griffierecht vanwege een onbillijkheid van overwegende aard. Het hof beoordeelt vervolgens het inkomen van partijen, waarbij het salaris van de man in 2013 als uitgangspunt wordt genomen. De man heeft geen huurinkomsten uit onroerend goed, gezien de negatieve resultaten en financiële situatie van zijn ondernemingen.
De behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op €1080 per maand, met een bijdrage van €257,50 per kind door de man, conform de rechtbank. De zorgkorting van 25% wordt passend geacht. Ten aanzien van de uitkering voor levensonderhoud van de vrouw concludeert het hof dat de man geen draagkracht heeft om deze te voldoen. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd en het verzoek van de vrouw afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank over de kinderbijdrage en wijst het verzoek tot uitkering levensonderhoud af wegens gebrek aan draagkracht van de man.