ECLI:NL:GHAMS:2015:1931
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijzigingsbevoegdheid rentepercentage hypothecaire lening en toetsing aan richtlijn oneerlijke bedingen
Op 3 februari 1999 sloot appellante samen met haar overleden echtgenoot een hypothecaire geldlening met ABN AMRO. Na afloop van een rentevast periode werd de lening in 2009 gewijzigd, waarbij algemene voorwaarden van toepassing zijn die ABN AMRO het recht geven het rentepercentage en de opslag te wijzigen.
In 2012 verhoogde ABN AMRO de opslag van 1% naar 2%, wat appellante betwistte en aanvoerde dat de wijzigingsbevoegdheid onredelijk bezwarend en oneerlijk was, in strijd met de EG-Richtlijn 93/13. De kantonrechter wees haar vorderingen af, waarna zij in hoger beroep ging.
Het hof toetste de voorwaarden aan de richtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van de EU (zaken C-92/11 en C-143/13) en stelde vast dat transparantie en het recht op opzegging essentieel zijn. Het hof gaf partijen gelegenheid zich uit te laten over deze arresten en over de voorspelbaarheid en rechtvaardiging van de opslagverhoging.
ABN AMRO onderbouwde haar verhoging met algemene marktgegevens, maar het hof vond deze onvoldoende specifiek toegespitst op haar situatie. Het hof gaf ABN AMRO de mogelijkheid om nadere gegevens te overleggen en hield verdere beslissing aan.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere stukken en stellingen, waarbij het hof de kwestie van de oneerlijke bedingen ambtshalve blijft toetsen.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en verwijst partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de toetsing aan de richtlijn oneerlijke bedingen.