Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 1.420
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 een bedrag van €4.500 opgevoerd als persoonsgebonden aftrek voor kosten levensonderhoud van zijn drie niet-inwonende kinderen. De inspecteur had slechts aftrek voor het tweede en derde kwartaal in aanmerking genomen, resulterend in €2.250. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in belangrijke mate bijdroeg aan de kosten voor het eerste en vierde kwartaal.
Belanghebbende stelde dat hij wekelijks omgang had met zijn kinderen, dat zij de helft van de zomervakantie bij hem verbleven en dat hij ook kinderalimentatie in Egypte betaalde. Hij overlegde diverse bonnen, bankafschriften en een vertaling van een Egyptisch vonnis. De inspecteur betwistte de toereikendheid van het bewijs, onder meer omdat niet duidelijk was dat de kosten daadwerkelijk in 2012 waren gemaakt of voor de kinderen bestemd waren.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende de bewijslast droeg en dat de stukken onvoldoende waren om de aftrek te rechtvaardigen. Het hof onderschreef dit oordeel en wees erop dat belanghebbende geen nieuwe bewijzen had aangevoerd. De conclusie was dat de aftrek voor het eerste en vierde kwartaal terecht was geweigerd en het hoger beroep ongegrond moest worden verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.