De huurder, die sinds 2006 een benedenwoning huurde en leed aan een schizoaffectieve stoornis, werd verdacht van brandstichting in zijn woning in april 2013. Hoewel hij strafrechtelijk werd vrijgesproken wegens ontoerekeningsvatbaarheid, oordeelde het hof in civiele procedure dat de brandstichting aannemelijk was op grond van concrete en onderbouwde stellingen van de verhuurder Eigen Haard.
De rechtbank had eerder de ontbindingsvordering afgewezen, onder meer omdat maatregelen en zorg in de buurt voldoende bescherming zouden bieden. Het hof stelde echter vast dat de huurder onvoldoende gemotiveerd tegenbewijs leverde en dat de kans op herhaling vanwege zijn psychische toestand en medicatieweigering groot is.
Het hof vond dat het belang van de huurder om zelfstandig te wonen niet opweegt tegen het veiligheidsbelang van omwonenden en dat brandpreventieve maatregelen onvoldoende garanties bieden. Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en de huurovereenkomst ontbonden met ontruiming binnen drie dagen, inclusief veroordeling in proceskosten.