Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
- te bepalen dat de beschikking van het hof ex artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan de totstandkoming van de akte van verdeling van de beperkte gemeenschap/toedeling van de woning aan de man, althans ter zake een zodanige voorziening te treffen als het hof vermeent te behoren;
- de vrouw te veroordelen om in het kader van de financiële afwikkeling tussen partijen aan de man te voldoen een bedrag van € 10.212,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een door het hof te bepalen ingangsdatum, althans een door het hof te bepalen bedrag;
- en voorts, voorwaardelijk, voor het geval dat het hof zou oordelen dat de man enig bedrag aan de vrouw dient te voldoen – ex artikel 1:140 lid 1 BW Pro (en gelet op het bepaalde in de partnerschapsvoorwaarden) te bepalen dat de man de verschuldigde som in termijnen van een jaar mag voldoen, steeds per de 1e januari van het kalenderjaar.
- de man te machtigen de woning aan de [adres a] te [A] te verkopen voor een bedrag van minimaal € 800.000,- in de eerste zes maanden na datum van de onderhavige beschikking en voor de periode daarna voor ten minste € 725.000,- en te bepalen dat de beschikking van het hof ex artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning;
- te bepalen dat ieder van partijen voor de helft moet bijdragen in de onderwaarde van de woning en dat partijen ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht van de woning met elkaar afrekenen, waarbij in de verrekening voorts de vordering van de man op de vrouw van € 9.393,- ter zake van de afwikkeling van de beperkte gemeenschap dient te worden betrokken, alsmede zijn vorderingen op de vrouw van € 36.365,- ter zake de inboedel en € 4.965,- ter zake van de aan de vrouw geleende bedragen, althans van die bedragen die het hof zal vermenen te behoren.
- te bepalen dat de vrouw zal dienen bij te dragen in de helft van de kosten die op de verkoop en levering zullen vallen;
- en voorts – voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof zou oordelen dat de man enig bedrag aan de vrouw dient te voldoen – ex artikel 1:140 lid 1 BW Pro (en gelet op het bepaalde in de partnerschapsvoorwaarden) te bepalen dat de man de verschuldigde som in 5 termijnen van een jaar mag voldoen, steeds per de 1e januari van het kalenderjaar.
4.Beoordeling van het hoger beroep
- een door de vrouw aan de man verschuldigd bedrag van € 47.342,-. Dit bedrag stelt de man vanuit privé vermogen geïnvesteerd te hebben in de woning te [A] . Dit bedrag is tussen partijen in geschil;
- de door de vrouw te betalen onderwaarde in de aan de man toegedeelde woning te [A] , te weten een bedrag van € 50.000,-, niet in geschil;
- een bedrag van € 90.500,- dat de man van de vrouw heeft geleend, evenmin in geschil;
- de door de man verschuldigde rente op de lening van € 90.500,-, tussen partijen wel in geschil.
- de vrouw is aan de man verschuldigd een bedrag van € 50.000,- ter zake de onderwaarde in de woning;
- de man is aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 128.449,- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 90.500,- vanaf 25 november 2011 tot de dag der algehele voldoening.