Uitspraak
Onderzoek van de zaak
19 en 20 mei 2014, 13 november 2014 en 15, 16, 18, 22, 23, 25, 29 en 30 juni 2015, 2, 6 en 7 juli 2015
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake de poging tot brandstichting van een woning op 4 mei 2009. Verdachte werd primair beschuldigd van medeplegen van brandstichting en subsidiair van uitlokking en medeplichtigheid aan die poging.
Tijdens het onderzoek bleek dat er een poging was gedaan brand te stichten met een constructie van slagpijpjes en een tijdschakelaar, maar dat de brand niet is ontstaan vanwege een te rijk benzinedamp-luchtmengsel. Het openbaar ministerie baseerde haar vordering mede op verklaringen van medeverdachten en geluidsopnamen, waarin een mogelijke betrokkenheid van verdachte werd gesuggereerd.
Het hof oordeelde echter dat er geen direct bewijs was dat de verdachte betrokken was bij de brandstichting of de voorbereiding daarvan. Verklaringen van medeverdachten waren onvoldoende en werden deels tegengesproken door getuigenverklaringen. Ook de geluidsopnamen konden geen bewijs leveren voor de betrokkenheid van verdachte.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Gezien deze vrijspraak waren verdere verweren van de verdediging niet meer aan de orde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid bij de poging tot brandstichting.