Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.1.1 [F]
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een textielgroothandel, kreeg een uitnodiging tot betaling (UTB) voor antidumpingrechten op beddenlinnen dat zij invoerde met onjuiste oorsprongsverklaringen. De minister stelde dat de goederen uit Pakistan afkomstig waren, terwijl in de aangiften de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) als oorsprong waren opgegeven. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, oordelend dat zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de gegevens onjuist waren en dat de verlengde mededelingstermijn van vijf jaar van toepassing was.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij geen oogmerk had om de rechten te ontduiken en dat de verlengde termijn niet van toepassing was. Het hof oordeelde dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd dat het handelen van belanghebbende op ontduiking was gericht, ondanks het feit dat onjuiste gegevens waren verstrekt. De verlengde termijn was daarom niet van toepassing en de douaneschuld was verjaard. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de UTB, en veroordeelde de minister in de proceskosten.
De zaak bevatte uitgebreide feiten over de handelsrelaties tussen belanghebbende, haar dochtermaatschappij in de VAE en de Pakistaanse producent, alsmede het onderzoek van OLAF en de FIOD. Juridisch stond centraal de uitleg van de verjaringstermijn en de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het Communautair Douanewetboek. Het hof volgde de uitleg van het Hof van Justitie EU dat de verlengde termijn alleen geldt indien sprake is van handelen met het oogmerk tot ontduiking, wat hier niet was bewezen.
Uitkomst: De UTB wordt vernietigd omdat de douaneschuld is verjaard en de minister niet heeft bewezen dat het handelen van belanghebbende op ontduiking was gericht.