Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
perpetuatio fori. Slechts bij het aanhangig maken van de zaak wordt getoetst of het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in de staat van de geadieerde rechter. Latere wijzigingen daarin brengen geen verandering meer in de bevoegdheid ter zake van een reeds lopende procedure. Dit in tegenstelling tot hetgeen in artikel 5 lid 2 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 is neergelegd. Daarin is bepaald, dat zodra de gewone verblijfplaats van een kind wordt verplaatst naar een andere (verdragsluitende) staat de gerechten van die staat bevoegd worden. De vrouw meent dat dit laatste beginsel de doorslag moet hebben, nu zowel Nederland als de Verenigde Staten dit verdrag hebben ondertekend en de Verenigde Staten geen EU-lid zijn. Daarin volgt het hof haar niet. Het gaat immers slechts om de vraag of de Court of Common Pleas bevoegd was op grond van een internationaal aanvaarde maatstaf. Bij de huidige internationale stand van zaken moet worden geoordeeld dat in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid zowel toepassing van het beginsel van
perpetuatio forials het achterwege laten daarvan, internationaal algemeen aanvaardbaar is.
perpetuatio forieen internationaal aanvaard beginsel is.