De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid cocaïne op 15 maart 2015 te Schiphol. In eerste aanleg werd zij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden. In hoger beroep werd het bewijsverweer van de raadsvrouw behandeld, waarin werd gesteld dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige aanhouding en een onrechtmatige lijfsvisitatie met algehele ontkleding.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een onrechtmatige aanhouding. De lijfsvisitatie betrof een beperkte controle aan de kleding, waarbij het korset werd onderzocht en de bovenbroek gedeeltelijk werd laten zakken, wat volgens het hof binnen de bevoegdheden van de douaneambtenaar viel. Het bewijs van cocaïne werd daarmee niet onrechtmatig verkregen.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cocaïne heeft ingevoerd. Gezien de hoeveelheid en de omstandigheden werd de straf van 8 maanden gevangenisstraf passend geacht. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals het vermeende vliegverbod, werden niet meegewogen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met dezelfde strafoplegging.