Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2014 gescheiden. Zij hebben een minderjarige gezamenlijke dochter die bij de vrouw verblijft. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking waarin de zorgregeling en de partneralimentatie waren vastgesteld.
Het hof heeft de zorgregeling aangepast conform de overeenstemming van partijen, waarbij de minderjarige op donderdag na school tot vrijdag na sporttraining en eens per veertien dagen van donderdag na school tot maandagochtend bij de man verblijft. De partneralimentatie is vastgesteld op basis van de hofnorm, waarbij de behoefte van de vrouw op € 5.960 bruto per maand is bepaald, rekening houdend met haar inkomen uit loondienst en onderneming.
De man stelde dat de vrouw haar inkomen kan verhogen en dat de schuldenlast zijn draagkracht vermindert, maar het hof verwierp deze stellingen wegens onvoldoende onderbouwing. De man wordt geacht vanaf de dag van inschrijving van de echtscheiding tot 1 december 2014 € 1.721 per maand te betalen en vanaf 1 december 2014 € 1.818 per maand. De overige verzoeken van de man zijn afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en partneralimentatie, stelt de bijdrage van de man vast op €1.721 tot 1 december 2014 en €1.818 daarna, en wijst overige verzoeken af.