Partijen zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, geboren in 2011. De rechtbank bepaalde de hoofdverblijfplaats bij de moeder in plaats B, met vervangende toestemming voor inschrijving op een basisschool aldaar. De moeder is in hoger beroep gekomen en verzoekt de hoofdverblijfplaats bij haar in plaats A te bepalen en toestemming voor inschrijving op een school in plaats A te verlenen.
De vader verzet zich tegen deze verzoeken en stelt dat de hoofdverblijfplaats bij hem in plaats B moet blijven, met een zorgregeling waarbij het kind in het weekend bij de moeder verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming acht de situatie zorgelijk en adviseert nader onderzoek, omdat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan en co-ouderschap momenteel niet mogelijk lijkt.
Het hof oordeelt dat het belang van het kind voorop staat en dat de hoofdverblijfplaats en zorgregeling niet los van elkaar kunnen worden gezien. Gezien de tegenstrijdige belangen en het ontbreken van voldoende informatie, beveelt het hof nader onderzoek door de Raad, inclusief inschakeling van een gedragsdeskundige, om te bepalen wat het beste is voor het kind.
De beslissing over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling wordt aangehouden tot het onderzoek is afgerond en de Raad schriftelijk rapporteert. Een nieuwe zitting is gepland na ontvangst van het rapport. De zaak wordt voorlopig aangehouden tot 14 februari 2016.