ECLI:NL:GHAMS:2015:4937
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging voorlopige voogdij wegens onbevoegdheid moeder tot gezag door voortdurende curatele
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de voorlopige voogdij over haar minderjarige kind aan een gecertificeerde instelling (GI) toekende. De moeder was onder curatele gesteld, maar had verzocht deze opheffing om te zetten in een bewind en mentorschap. Door een hoger beroep tegen die opheffingsbeschikking bleef de curatele echter voortduren, waardoor zij onbevoegd bleef het gezag uit te oefenen.
De Raad voor de Kinderbescherming had een zorgmelding ontvangen over de ongeboren minderjarige en onderzocht of een voorlopige voogdij noodzakelijk was. Gezien de onbevoegdheid van de moeder en het ontbreken van een andere gezagsdrager, achtte de Raad voorlopige voogdij dringend en onverwijld noodzakelijk om de belangen van het kind te behartigen.
Het hof oordeelt dat de curatele van de moeder nog steeds van kracht is en dat de moeder daardoor niet bevoegd is tot gezag. Omdat ook de vader niet met gezag is belast, bestaat er een gezagsvacuüm dat alleen met een voorlopige voogdij kan worden opgevuld. Nader deskundigenonderzoek is niet zinvol zolang de curatele voortduurt. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking tot voorlopige voogdij en wijst het hoger beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige voogdij over de minderjarige vanwege de onbevoegdheid van de moeder tot gezag door voortdurende curatele.