Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
5.Beslissing
zondag 24 januari 2016;
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1996 gehuwd en in 2011 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De man en vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. Diverse eerdere beschikkingen bepaalden de bijdragen van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de partneralimentatie. In kort geding is het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig bij de man vastgesteld en is de kinderbijdrage tijdelijk op nihil gesteld.
De man verzoekt in hoger beroep om verlaging van de kinderbijdrage en partneralimentatie, mede vanwege zijn ontslag en inkomensverlies. Het hof oordeelt dat het ontslag niet aan de man te wijten is en dat hij zich voldoende inspant om nieuw inkomen te verwerven, maar dat dit nog niet is gelukt. Daarom is het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar en wordt uitgegaan van zijn WW-uitkering.
Gezien de voorlopige zorgregeling en het feit dat de vrouw alleenstaand is, past het hof een zorgkorting toe en houdt rekening met de woonlasten van de man. Het hof stelt de voorlopige partneralimentatie vanaf 1 augustus 2015 op nihil en houdt de beslissing over de kinderbijdrage aan tot de pro forma zitting, mede in afwachting van de uitkomst van prejudiciële vragen van de Hoge Raad en de definitieve zorgregeling.
Uitkomst: De voorlopige partneralimentatie wordt vanaf 1 augustus 2015 op nihil gesteld en de beslissing over kinderbijdrage aangehouden tot nader order.