ECLI:NL:GHAMS:2015:5696
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.J.M. Boukema
- M.A. Goslings
- G.J. Visser
- Rechtspraak.nl
Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na faillissement kinderopvangbedrijf
Twee zusters startten een kinderopvangbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma, waarbij het management werd overgelaten aan de vriend en later echtgenoot van een van hen. Na enkele jaren ging het bedrijf failliet. De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan.
In hoger beroep bevestigde het hof dat artikel 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet in beginsel toelating tot schuldsanering in de weg staat bij niet te goeder trouw zijn. Het hof oordeelde echter dat de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro van toepassing was, omdat de schuldenaar de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle heeft gekregen en afstand heeft genomen van de partner die een rol speelde bij het faillissement.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe, waarbij het vervolg van de procedure aan de rechtbank werd verwezen. De curator had negatief geadviseerd, maar het hof vond de veranderingen en het perspectief van de schuldenaar voldoende om de schuldsanering toe te staan.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe en vernietigt het vonnis van de rechtbank.