ECLI:NL:GHAMS:2015:5697
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.J.M. Boukema
- M.A. Goslings
- G.J. Visser
- Rechtspraak.nl
Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na faillissement kinderopvangbedrijf
Twee zusters startten een vennootschap onder firma in de kinderopvang, waarbij het management werd overgelaten aan de partner van een van hen. Door wanbeheer en onttrekkingen ontstonden grote schulden, wat leidde tot faillissement. De rechtbank wees hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw bij het ontstaan van de schulden.
In hoger beroep bevestigde het hof dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, mede door de rol van de partner die het management voerde. Desondanks oordeelde het hof dat de zusters zelf verantwoordelijk waren gebleven en dat de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro van toepassing kon zijn.
Het hof stelde vast dat de schuldenaar de omstandigheden die tot het faillissement leidden onder controle heeft gekregen, afstand heeft genomen van de partner en werk in loondienst heeft gevonden. Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toegewezen.
Uitkomst: Het hof heeft het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegewezen en het vonnis van de rechtbank vernietigd.