Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
(Hof: 7/5)8214
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende exploiteert een groothandel in diverse messen en diende invoeraangiften in voor producten geleverd door een Japanse leverancier. Na een controle na invoer (CNI) over de periode 2008-2010 constateerde de Douane onjuiste GN-codes en verschillen in douanewaarde, wat leidde tot een navordering van douanerechten.
De rechtbank had de navordering deels verminderd omdat niet kon worden nagevorderd voor aangiften vóór 22 maart 2008. In hoger beroep stond centraal of de navordering op afbreekmessen achterwege moest blijven op grond van artikel 220, lid 2, sub b van het CDW, dat drie cumulatieve voorwaarden stelt waaronder correcte naleving van douaneaangiftevoorschriften.
Het Hof oordeelde dat de goederenomschrijving in de aangiften niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat de gebruikte omschrijvingen niet als gebruikelijke handelsbenaming konden worden aangemerkt en factuurnummers onvoldoende inzicht boden. Hierdoor was niet voldaan aan de derde voorwaarde voor afzien van navordering. Een nieuwe grief van belanghebbende over terugbetalingsbeschikkingen uit 2000 werd niet ontvankelijk verklaard wegens tardiviteit en gebrek aan procesorde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 22 januari 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navordering door de inspecteur wordt bevestigd.