Partijen, beiden met de Bulgaarse nationaliteit, hadden een relatie waaruit in 2012 een kind is geboren. De man erkende het kind, maar de relatie eindigde datzelfde jaar. De man verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over het kind toe te kennen. De rechtbank stelde dit toe, maar de vrouw ging in hoger beroep.
Het hof moest allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd was, waarbij het begrip gewone verblijfplaats van het kind centraal stond. Het hof concludeerde dat ondanks het feit dat het kind op het moment van het verzoek feitelijk in Bulgarije verbleef, de gewone verblijfplaats van het kind en de vrouw in Nederland was, gezien de sociale en familiale omgeving en de intentie van de vrouw om in Nederland te blijven.
Vervolgens werd vastgesteld dat op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het recht van de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van de geboorte van toepassing is. Aangezien het kind in Nederland was geboren en de gewone verblijfplaats van de vrouw toen ook in Nederland was, is Nederlands recht van toepassing. Dit betekent dat de vrouw het eenhoofdig gezag heeft. De man stemde ermee in dat het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen.
Het hof vernietigde daarom de bestreden beschikking en wees het verzoek van de man af, waarmee de vrouw het gezag over het kind behoudt.