Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Tenlastelegging
[bedrijf] in of omstreeks de periode van 10 oktober 2003 tot en met
[bedrijf] in of omstreeks de periode van 15 maart 2006 tot en met
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem waarin verdachte werd verdacht van het feitelijk leidinggeven aan belastingfraude binnen een vennootschap onder firma (vof). Aan verdachte werd ten laste gelegd dat zij opdracht zou hebben gegeven tot of feitelijk leiding zou hebben gegeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het opzettelijk beschikbaar stellen van valse facturen aan de Belastingdienst.
Tijdens de behandeling kwam naar voren dat verdachte en haar inmiddels overleden echtgenoot vennoten waren van de vof, waarbij de echtgenoot verantwoordelijk was voor de administratie en verdachte slechts incidenteel werkzaamheden verrichtte. Er was geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van de valse facturen of dat zij daartoe opdracht had gegeven. De advocaat-generaal stelde dat verdachte het risico bewust had aanvaard, maar het hof volgde dit niet.
Het hof oordeelde dat de enkele registratie als mede-vennoot en kennis van eerdere administratieve tekortkomingen onvoldoende is om strafrechtelijke aansprakelijkheid te rechtvaardigen. Er was geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte leiding gaf aan de strafbare feiten. Daarom werd zij vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De vraag of de facturen daadwerkelijk vals waren bleef onbesproken.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 maart 2015. De eerdere veroordeling werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van feitelijk leidinggeven aan belastingfraude.