De verdachte werd beschuldigd van diefstal van diverse boodschappen bij een winkel in Amsterdam op 3 februari 2015. De tenlastelegging omvatte het wegnemen van goederen zoals Dreft, Ambi Pur, spare ribs en vleeswaren met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
In hoger beroep voerde de raadsman aan dat de verdachte de intentie had om de goederen bij de kassa af te rekenen en dat hij voortdurend werd gevolgd, waardoor geen sprake zou zijn van feitelijke onttrekking. Het hof oordeelde echter dat het stoppen van de goederen onder de kleding en bij het kruis van de verdachte voldoende was om de feitelijke heerschappij van de rechthebbende te onttrekken en dat de diefstal daarmee was voltooid.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte de goederen met wederrechtelijk oogmerk had weggenomen en verwierp het verweer dat sprake was van een onvoltooide diefstal. Gelet op de ernst van het feit, eerdere niet-onherroepelijke veroordelingen en de omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van één week op, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd bevestigd en het overige werd vrijgesproken.