Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grieven 1. en 2.allereerst bestreden het oordeel van de kantonrechter dat krachtens het bepaalde in artikel 1.3 van de algemene bepalingen onderverhuur zonder voorafgaande toestemming van de verhuurder verboden was en dat zij bij iedere onderverhuring daarvoor toestemming nodig had. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij aanvang van de huurovereenkomst [geïntimeerden] , althans de voor hem optredende makelaar, volledig is geïnformeerd over haar inkomenspositie en haar wens om de woning te kunnen delen teneinde de woonkosten te kunnen delen, dat op die basis is gecontracteerd, afwijkend van wat artikel 1.3 van de algemene bepalingen bepaalt. Voor zover [appellante] wel is gebonden aan dat onderverhuurverbod, heeft zij gedwaald, op grond waarvan zij een deel van de huurovereenkomst, te weten artikel 1.3 van de algemene bepalingen, vernietigt, alles aldus [appellante] .
grief 3.valt [appellante] het oordeel van de kantonrechter aan dat voor rekening en risico van [appellante] moet blijven dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de algemene voorwaarden te begrijpen. Zij voert daartoe aan dat het voor partijen duidelijk was dat zij de woning niet alleen kon betalen, zodat het ‘verstoppen’ van een onderverhuurverbod bij het kenbaar niet beheersen van de Nederlandse taal door [appellante] een vorm van misleiding is. Een beroep op dat beding is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [appellante] .
grief 4.bezwaar tegen de overweging van de kantonrechter dat in het vonnis van 11 april 2006 voldoende duidelijk tot uiting komt dat de algemene voorwaarden het geheel of gedeeltelijk afstaan van het gehuurde in onderhuur uitsluiten. [appellante] voert daartoe aan dat in het vonnis van 11 april 2006 geen rechtsoordeel is gegeven over het al dan niet van toepassing zijn van die algemene voorwaarde en dat uit dat vonnis niet meer kan worden afgeleid dat hennepkweek en het illegaal aftappen van stroom, óók als dat door een onderhuurder gebeurt, een wanprestatie oplevert die die keer nog niet tot ontruiming zal leiden.
grief 5.heeft [appellante] bestreden dat haar tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar slechts een gering verwijt kan worden gemaakt omdat zij slechts in een onjuiste veronderstelling verkeerde over het deels mogen onderverhuren van de woning, terwijl anderzijds de gevolgen van een ontbinding van de huurovereenkomst voor haar zeer ernstig zijn. In dat verband heeft [appellante] gewezen op de belangen van haar minderjarige zoon en het gegeven dat zij bij een ontruiming aangewezen zal zijn op een terugkeer naar de Verenigde Staten van Amerika.