ECLI:NL:GHAMS:2016:158

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
27 januari 2016
Zaaknummer
R001776-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g lid 5 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf wegens niet aangevangen toezicht

Het gerechtshof Amsterdam behandelde op 26 januari 2016 de vordering van de advocaat-generaal tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, opgelegd bij onherroepelijk arrest van 7 november 2014. De veroordeelde stond sinds augustus 2015 onder toezicht van de reclassering in twee andere strafzaken, maar gaf geen gehoor meer aan uitnodigingen en weigerde medewerking.

Uit het rapport van de reclassering bleek echter dat het toezicht in de onderhavige zaak niet was aangevangen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden van het arrest had geschonden. Ondanks de weigering van de veroordeelde om mee te werken aan toezicht, kon het hof hieraan geen rechtsgevolg verbinden.

Daarnaast constateerde het hof een vormverzuim omdat de vordering niet bij de griffie van het hof was ingediend zoals vereist volgens artikel 14g lid 5 Wetboek van Strafrecht. Omdat partijen hiertegen geen bezwaar maakten, bleef het bij een constatering.

Het hof besloot daarom de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een van de rechters niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen omdat het toezicht niet is aangevangen.

Uitspraak

beslissing
rekestnummer: 001776-15
parketnummer: 23-002393-14
GERECHTSHOF AMSTERDAM
BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING
op de vordering van de advocaat-generaal van 17 november 2015 betreffende het arrest van dit gerechtshof van 7 november 2014 in de strafzaak onder bovenvermeld parketnummer tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Nieuwegein,
advocaat: mr. R.J. Takens, waarnemend advocaat voor mr. A.J. Admiraal, kantoorhoudende te Amsterdam.
De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van dit gerechtshof van 7 november 2014 met bovengemeld parketnummer - voor zover hier van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit en onder bijzondere voorwaarden, onder andere dat hij zich gedurende een proeftijd van twee jaren zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht.

Inhoud van de vordering

Namens het openbaar ministerie heeft de advocaat-generaal tijdig een schriftelijke vordering ingediend. Deze houdt in dat het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal gelasten, aangezien de veroordeelde zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarde(n) heeft gehouden.

Procesgang

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in het dossier, waaronder het rapport van 11 november 2015 van Reclassering Nederland, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker.
Het hof heeft deze vordering behandeld op de openbare terechtzitting van 12 januari 2016. Aldaar zijn gehoord de veroordeelde, mr. R.J. Takens, advocaat te Amsterdam, de advocaat-generaal mr. M.C.A. Bakker en [naam], als reclasseringswerker van Reclassering Nederland.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Beoordeling

Het arrest van dit gerechtshof waarbij de verdachte is veroordeeld tot een genoemde gevangenisstraf is onherroepelijk geworden op 29 september 2015.
Uit de rapportage van Reclassering Nederland blijkt dat de veroordeelde sinds 11 augustus 2015 in het kader van twee andere strafzaken (15-810304-15 en 15-8110171-15) onder toezicht stond van de reclassering. De veroordeelde heeft zich – ondanks een officiële waarschuwing in elk van die zaken - niet gehouden aan de voorwaarden die hem in die zaken waren opgelegd. Na 1 oktober 2015 heeft hij geen gehoor meer gegeven aan uitnodigingen van de Reclassering Nederland. Ter terechtzitting heeft de verdachte te kennen gegeven niet mee te willen werken aan reclasseringstoezicht.
Uit deze rapportage blijkt evenwel niet dat een aanvang is gemaakt met het toezicht in het kader van de onderhavige zaak. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden hem opgelegd in bovenvermeld arrest van het gerechtshof. Weliswaar heeft de veroordeelde ter terechtzitting verklaard niet te willen meewerken aan enig toezicht van Reclassering Nederland, maar gelet op het bovenstaande, kan het hof hieraan geen rechtsgevolg verbinden. De vordering tot tenuitvoerlegging zal daarom worden afgewezen.
Daarnaast overweegt het hof nog het volgende. Bij de stukken bevindt zich een brief van de advocaat-generaal aan de veroordeelde, houdende een vordering na voorwaardelijke veroordeling. Op grond van artikel 14g lid 5 Wetboek van Strafrecht moet een dergelijke vordering echter worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof. Daarvan is niet gebleken. Nu partijen tegen deze gang van zaken geen bezwaar hebben gemaakt, zal het hof volstaan met het constateren van dit vormverzuim.

Beslissing

Het hof:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Deze beslissing is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R.A.F. Gerding en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 januari 2016.
Mr. E.H.M. Druijf is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.