ECLI:NL:GHAMS:2016:158
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf wegens niet aangevangen toezicht
Het gerechtshof Amsterdam behandelde op 26 januari 2016 de vordering van de advocaat-generaal tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, opgelegd bij onherroepelijk arrest van 7 november 2014. De veroordeelde stond sinds augustus 2015 onder toezicht van de reclassering in twee andere strafzaken, maar gaf geen gehoor meer aan uitnodigingen en weigerde medewerking.
Uit het rapport van de reclassering bleek echter dat het toezicht in de onderhavige zaak niet was aangevangen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden van het arrest had geschonden. Ondanks de weigering van de veroordeelde om mee te werken aan toezicht, kon het hof hieraan geen rechtsgevolg verbinden.
Daarnaast constateerde het hof een vormverzuim omdat de vordering niet bij de griffie van het hof was ingediend zoals vereist volgens artikel 14g lid 5 Wetboek van Strafrecht. Omdat partijen hiertegen geen bezwaar maakten, bleef het bij een constatering.
Het hof besloot daarom de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een van de rechters niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen omdat het toezicht niet is aangevangen.