Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1998 gehuwd en in 2005 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. In het echtscheidingsconvenant was bepaald dat de man €200 per kind per maand aan kinderalimentatie zou betalen, onderworpen aan wettelijke indexering.
De man stelde dat partijen in 2011 een nadere afspraak hadden gemaakt waarbij hij slechts €100 per kind per maand zou betalen, en dat deze afspraak definitief was. De vrouw betwistte dit en stelde dat het een tijdelijke tegemoetkoming was. Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende had gemotiveerd dat de afspraak tijdelijk was en dat partijen dus een definitieve wijziging hadden overeengekomen.
De man verzocht om een verdere verlaging naar €50 per kind per maand vanaf april 2015, maar het hof oordeelde dat geen relevante wijziging van omstandigheden was aangetoond die een lagere bijdrage rechtvaardigde. De behoefte van de kinderen bleef gelijk en de draagkracht van de man was niet zodanig gewijzigd.
Ten aanzien van de teveel betaalde alimentatie bepaalde het hof dat de vrouw de helft van het teveel betaalde bedrag niet hoeft terug te betalen, gelet op de omstandigheden, het inkomen van partijen en het feit dat de bedragen ten behoeve van de kinderen zijn verbruikt.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en bepaalde de bijdrage van de man op €100 per kind per maand zonder wettelijke indexering vanaf 1 februari 2011, en beperkte de terugbetalingsverplichting van de vrouw tot de helft van de teveel betaalde bedragen.
Uitkomst: De man betaalt vanaf 1 februari 2011 €100 per kind per maand zonder indexering en de vrouw hoeft slechts de helft van de teveel betaalde alimentatie terug te betalen.