ECLI:NL:GHAMS:2016:1718

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
4 mei 2016
Zaaknummer
200.104.257/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 162 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en afwijzing vordering in declaratiegeschil tussen Medisch Centrum Boerhaave en geïntimeerde

In deze civiele zaak tussen Medisch Centrum Boerhaave B.V. en geïntimeerde, als lasthebber van een B.V., stond een geschil over declaraties uit de periode 2006-2009 centraal. Het hof had eerder een deskundige benoemd die een rapport uitbracht over de betwiste declaraties.

De deskundige concludeerde dat geïntimeerde in totaal €485.563,42 had gedeclareerd, waarvan Boerhaave €413.437,86 had betaald. Volgens de gehanteerde tariefafspraken kon geïntimeerde aanspraak maken op €431.447,54. Het hof nam de conclusies van de deskundige over en oordeelde dat geïntimeerde onvoldoende bewijs had geleverd dat hij vóór 2006 conform zijn tariefafspraken werd betaald.

Het hof wees de vordering tot openlegging van de administratie en medische dossiers af, omdat de deskundige geïntimeede volledig volgde over de betreffende patiënten. De wettelijke handelsrente werd toegewezen vanaf 1 maart 2009. Uiteindelijk werd Boerhaave veroordeeld tot betaling van €18.009,68 vermeerderd met wettelijke rente vanaf genoemde datum. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Boerhaave moet €18.009,68 plus wettelijke rente betalen; overige vorderingen zijn afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.104.257/01
zaaknummer/rolnummer rechtbank Amsterdam : 439089/HA ZA 09-3106
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 april 2016
inzake
MEDISCH CENTRUM BOERHAAVE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. D. Simons te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
als lasthebber van [B.V.],
wonend te [woonplaats],
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar te ‘s-Hertogenbosch.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw Boerhaave en [geïntimeerde] genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 21 april 2015 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) uitgesproken. In dit tussenarrest is F.A.J. Kuipers als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 8 september 2015 zijn deskundigenrapport uitgebracht. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 21 april 2015 wordt naar het tussenarrest verwezen.
Partijen hebben, eerst [geïntimeerde] en daarna Boerhaave, een memorie na deskundigenbericht genomen.
Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2.Beoordeling

2.1
In het tussenarrest heeft het hof in r.o. 2.3 de vragen die ter beantwoording aan de deskundige zullen worden voorgelegd geformuleerd. Uit paragraaf 2.2 van het deskundigenrapport blijkt dat de deskundige – naast de processtukken – overzichten van declaraties uit de administratie van Boerhaave heeft bestudeerd. Aan de stelling van [geïntimeerde] dat niet blijkt of de deskundige inzage heeft gehad in de administratie van Boerhaave moet om die reden voorbij worden gegaan.
2.2
De deskundige heeft in zijn rapport uiteengezet dat [geïntimeerde] in de periode van 1 januari 2006 tot 6 februari 2009 in totaal 1314 declaraties bij Boerhaave heeft ingediend. Van de in totaal 1314 declaraties worden 897 declaraties door Boerhaave niet betwist. Tussen partijen bestaat discussie over in totaal 417 declaraties. De deskundige heeft deze ter discussie staande declaraties in 12 categorieën ingedeeld. De deskundige heeft per categorie in kaart gebracht het door [geïntimeerde] gedeclareerde bedrag, het door Boerhaave betaalde bedrag en het bedrag waarop [geïntimeerde] aanspraak zou kunnen maken indien de in r.o. 2.9 van het tussenarrest van 19 augustus 2014 uiteengezette tariefafspraken zouden zijn gevolgd. De deskundige komt dan over de periode van 1 januari 2006 tot 9 februari 2009 tot de conclusie dat:
(i) [geïntimeerde] in totaal een bedrag van € 485.563,42 heeft gedeclareerd, en
(ii) Boerhaave een bedrag van in totaal € 413.437,86 heeft betaald, en
(iii) [geïntimeerde] jegens Boerhaave volgens de in het tussenarrest van 19 augustus 2014 geformuleerde uitgangspunten aanspraak kon maken op een bedrag van € 431.447,54.
2.3
[geïntimeerde] heeft in zijn memorie na deskundigenbericht uiteengezet dat hij steeds heeft aangevoerd, en door overlegging van betaaloverzichten van vóór 2006 ook aannemelijk heeft gemaakt, dat hij vóór 2006 altijd is betaald overeenkomstig de door hem bij Boerhaave ingediende overzichten die waren gebaseerd op de door hem gestelde tariefafspraken.
Het hof overweegt als volgt. Uit het op pagina 24 van het deskundigenbericht weergegeven overzicht per categorie kan worden opgemaakt dat partijen (naast het debiteurenrisico) met name discussie hebben over declaraties met betrekking tot zogenaamde
injectables. [geïntimeerde] heeft, behoudens productie 11 bij nadere akte d.d. 16 november 2011, waarmee in het tussenarrest van 19 augustus 2014 reeds rekening is gehouden, geen declaraties of andere stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] vóór 2006 wat betreft de
injectablesop de door hem voorgestane wijze door Boerhaave werd betaald, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. In het licht van r.o. 2.4.4 van het tussenarrest van 19 augustus 2014, waarin is overwogen dat het totaalbeeld dat is verkregen uit al het bijeengebrachte bewijsmateriaal uiteindelijk te onzeker is om [geïntimeerde] geslaagd te achten in het van hem verlangde bewijs wat betreft de vergoeding van
injectables, heeft [geïntimeerde] uiteindelijk onvoldoende toegelicht dat hij vóór 2006 voor de behandelingen met
injectablesovereenkomstig de door hem verdedigde tariefafspraken mocht declareren.
Het hof neemt de conclusie van de deskundige over, inhoudende dat [geïntimeerde] wat betreft de
injectablesovereenkomstig de in het tussenarrest van 19 augustus 2014 geformuleerde uitgangspunten door Boerhaave is betaald.
2.4
In r.o. 2.6.2 van het tussenarrest van 19 augustus 2004 is beslist dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs van zijn stelling dat hij niet zou delen in het debiteurenrisico. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om het door de deskundige in kaart gebrachte verschil tussen het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte en door Boerhaave betaalde bedrag wegens debiteurenrisico (€7.273,52) bij helfte tussen partijen te verdelen, zoals [geïntimeerde] in zijn memorie na deskundigenbericht heeft voorgesteld.
2.5
De (voorwaardelijke) vordering van [geïntimeerde] tot openlegging van de administratie van Boerhaave ex art. 162 Rv Pro en tot terbeschikkingstelling aan hem van afschriften van medische dossiers en roosters ex art. 843a Rv (zie r.o. 2.7 van het tussenarrest van 19 augustus 2014) zal worden afgewezen. Deze vordering heeft blijkens de toelichting van [geïntimeerde] onder punt 20 van de memorie van antwoord betrekking op de door [geïntimeerde] meegenomen patiënten. Nu de deskundige in zijn rapport [geïntimeerde] geheel volgt wat betreft de meegenomen patiënten (categorie 6 in het deskundigenrapport) bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van deze vordering van [geïntimeerde].
2.6
In het
principaal hoger beroepresteert nog de beoordeling van de grieven 7 (deels), 8, 9 en 10. Grief 7 en grief 9 behoeven gezien de uitkomsten van het deskundigenbericht geen verdere bespreking meer. Grief 8 heeft betrekking op de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. Nu Boerhaave [geïntimeerde] steeds betaalde naar aanleiding van door [geïntimeerde] verstrekte overzichten, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf 1 maart 2009, zijnde de dertigste dag na het laatste door [geïntimeerde] verstrekte overzicht. Grief 10 heeft betrekking op de proceskostenveroordeling. Het hof zal daarover hierna oordelen.
2.7
In het
incidenteel hoger beroepliggen nog ter bespreking voor de grieven 2, 3, 4 en 5. Grief 2 heeft betrekking op door [geïntimeerde] in de periode van 2006 tot 2009 - naar zijn stelling - te weinig gedeclareerde bedragen voor
injectables. Deze grief stuit af op de door het hof gevolgde berekeningen en conclusies in het deskundigenrapport die betrekking hebben op dezelfde periode.
Grief 3 komt op tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten door de rechtbank. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat vóór de procedure werkzaamheden hebben plaatsgevonden die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de werkzaamheden tijdens de procedure geldt dat deze geacht moeten worden te zijn verdisconteerd in de beslissing over de proceskosten, reden waarom de vordering tot vergoeding van deze werkzaamheden als buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar is.
De grieven 4 en 5 hebben betrekking op de proceskosten, waarover hierna zal worden geoordeeld.
2.8
De slotsom is dat Boerhaave nog een bedrag van € 18.009,68 (€ 431.447,54 -
€ 413.437,86) aan [geïntimeerde] dient te betalen. De grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep zijn deels terecht voorgesteld. Het hof zal voor de duidelijkheid het bestreden eindvonnis geheel vernietigen en opnieuw rechtdoende dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2009 toewijzen.
2.9
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder de kosten van de deskundige, die door partijen reeds bij helfte zijn voldaan, tussen partijen worden gecompenseerd.

4.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
vernietigt het vonnis waarvan beroep van 29 februari 2012;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Boerhaave tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 18.009,68, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 maart 2009;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, W.A.H. Melissen en D.J. Oranje en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.