Uitspraak
AGERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2008 gehuwd en zijn in 2015 gescheiden. De vrouw en man zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank over kinderalimentatie en partneralimentatie. De vrouw vorderde een hogere bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van het kind [kind A] en een uitkering tot haar levensonderhoud. De man verzocht afwijzing en stelde incidenteel een lagere bijdrage voor.
Het hof heeft vastgesteld dat de behoefte van het kind [kind A] hoger is dan de Nibudtabel vanwege bijzondere kosten voor vioollessen. De draagkracht van de man is berekend op basis van een gemiddeld inkomen uit onderneming en pensioenuitkering, waarbij rekening is gehouden met woonlasten en onderhoudsplicht jegens andere kinderen. De man is gehouden een bijdrage te betalen van € 756 tot € 799 en € 683 per maand in verschillende perioden.
Voor de vrouw is een uitkering tot levensonderhoud van € 375 per maand vastgesteld voor de periode tot 10 oktober 2015, waarna de man niet meer draagkrachtig is. Het hof heeft het verzoek tot beperking van de alimentatieplicht afgewezen, omdat de vrouw haar verdiencapaciteit door de zorg voor het gezin heeft verminderd en zich voldoende heeft ingespannen om in haar levensonderhoud te voorzien.
De bestreden beschikking is vernietigd voor zover het kinderalimentatie en partneralimentatie betreft in de genoemde perioden, en de nieuwe bedragen zijn vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof verhoogde de kinderalimentatie en kende een beperkte partneralimentatie toe tot 10 oktober 2015, waarna partneralimentatie werd beëindigd.