Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2016:1957

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
24 mei 2016
Zaaknummer
R 001845-15
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 UWArt. 59 UWArt. 89 SvArt. 90 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vergoeding kosten bij geweigerde uitlevering op grond van ministerieel oordeel

De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van kosten voor het opstellen en toelichten van een verzoekschrift in het kader van een uitleveringsprocedure. De verzoeker, een politiek vluchteling met status in Frankrijk, werd in Nederland aangehouden op basis van een internationale signalering en geplaatst in uitleveringsbewaring. De minister van Veiligheid en Justitie besloot echter de uitlevering niet toe te staan vanwege de vluchtelingenstatus van verzoeker.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het verzoek tot vergoeding niet-ontvankelijk. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de verzoeker aanspraak kon maken op vergoeding van kosten, ondanks dat de uitlevering niet door de rechter was afgewezen maar door de minister was geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitleveringswet, een exclusieve ministeriële weigeringsgrond.

Het hof overwoog dat de wetgever de mogelijkheid tot vergoeding van kosten heeft beperkt tot situaties waarin de rechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart. Omdat in deze zaak de minister de uitlevering weigerde op een uitsluitend aan hem toebedeelde grond, en de rechter niet aan de orde kwam, bestaat geen grond voor vergoeding. Het hof bevestigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van kosten na ministeriële weigering van uitlevering.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: R 001845-15 / (591a Sv HB)
Parketnummer rechtbank: 15/860176-14
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2015 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 59 Uitleveringswet (UW) jo. 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Moldavië) op [geboortedag] 1985
in deze zaak domicilie kiezende ten kantore van mr. T.A.C. Dalebout
Zadelmakerstraat 20, 1991 JE Velserbroek.

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoekschrift ten bedrage van € 280,00 (zonder mondelinge behandeling) dan wel € 550,00 (met mondelinge behandeling), zijnde de geldende standaardbedragen.

2.Procesverloop

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 oktober 2015 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken ex artikel 89 en Pro 591a Sv.
Het hoger beroep is ingesteld namens verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg.
Het hof heeft op 6 april 2016 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.
De advocaat heeft bij de behandeling in raadkamer betoogd dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat de gevraagde vergoeding dient te worden toegewezen. De advocaat heeft daartoe aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat het verbod van uitlevering van een politiek vluchteling rechtstreeks voortvloeit uit artikel 33 van Pro het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, zodat op voorhand vaststaat dat de uitlevering door de rechtbank ontoelaatbaar zou zijn verklaard. Gelet hierop is appellant ontvankelijk in zijn verzoek en dient de gevraagde vergoeding te worden toegewezen, aldus de advocaat.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep. De advocaat-generaal heeft daartoe gewezen – kort en zakelijk weergegeven - op een arrest van dit hof van 17 juni 2009 ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4764) waarin is bepaald dat de mogelijkheid tot schadevergoeding bestaat in het geval de verzoekende Staat uiteindelijk geen uitleveringsverzoek heeft gedaan en de Nederlandse rechter niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het uitleveringsverzoek. In lijn met die uitspraak brengt artikel 30 van Pro het Kaderbesluit van de Europese Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europese aanhoudingsbevel (2002/584/JBZ) mee dat de uitvoerende Staat – Nederland in dit geval – haar eigen kosten draagt, hetgeen tot gevolg heeft dat de gevraagde vergoeding door de Nederlandse Staat dient te worden betaald, aldus de advocaat-generaal. Tevens heeft de advocaat-generaal gewezen op een uitspraak van de rechtbank Zeeland/West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2015:4998) waarin het verzoek tot schadevergoeding ontvankelijk is geacht en vergoeding is toegekend in het geval dat het verzoek tot uitlevering was ingetrokken vanwege verjaring van de executie. De rechtbank achtte het evident dat de uitlevering op die grond ontoelaatbaar zou zijn verklaard wanneer het verzoek aan de rechtbank zou zijn voorgelegd.

3.Beoordeling van het verzoek

Het hoger beroep is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Appellant, voormalig Oekraïens staatsburger, heeft in Frankrijk sinds 19 december 2013 de status van politiek vluchteling. Appellant is op 27 september 2014 in Nederland aangehouden in verband met een internationale signalering voor Oekraïne en op 29 september 2014 in uitleveringsbewaring gesteld. Op 1 oktober 2014 is deze bewaring geschorst, welke beslissing op 2 oktober 2014 aan appellant is uitgereikt. Op laatstgenoemde dag heeft de minister van Veiligheid en Justitie (verder te noemen: de minister) bij brief laten weten niet tot uitlevering te zullen overgaan omdat de vluchtelingenstatus van appellant in Frankrijk daaraan in de weg staat.
Voor de beoordeling of appellant ontvankelijk is in zijn verzoek om schadevergoeding overweegt het hof als volgt.
Op de voet van het bepaalde in artikel 59 UW Pro jo. de artikelen 89, 90 en 591a Sv. kan de opgeëiste persoon – in het geval dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard - aanspraak maken op vergoeding van de door hem ten gevolge van ondergane vrijheidsbeneming geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een raadsman, zo daartoe althans, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 59 UW Pro blijkt dat de wetgever de mogelijkheid van schadevergoeding heeft willen beperken tot de gevallen van ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, omdat in andere gevallen waarin geen uitlevering is gevolgd zeker geen verwijt kan worden gemaakt aan de Nederlandse autoriteiten die de vrijheidsbeneming hebben gelast.
Uit de jurisprudentie op dit vlak vloeit verder nog voort dat, ook in het geval de rechtbank niet aan een beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering is toegekomen, bijvoorbeeld omdat de minister reeds op een eerder moment het uitleveringsverzoek niet heeft toegestaan, ruimte bestaat een schadevergoeding toe te kennen, indien vast staat dat de grond waarop de minister tot die beslissing is gekomen ook de rechter, bij voorlegging van het uitleveringsverzoek, zou hebben genoopt tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering (arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 april 2001, LJN AD4261).
Het hof stelt voorop dat de besluitvorming over een uitleveringsverzoek in de UW is verdeeld tussen de (uitleverings)rechter en de minister. Sommige van de in de wet opgenomen weigeringsgronden richten zich uitsluitend tot de minister dan wel de rechter.
De afwijzing door de minister van het uitleveringsverzoek in de onderhavige zaak is kennelijk gegrond op artikel 10, eerste lid, UW, waarin is bepaald:
“Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort.”
Het betreft hier een uitsluitend aan het oordeel van de minister onderworpen, imperatief geformuleerde weigeringsgrond. De rechter kan op de in dit artikel genoemde gronden geen ontoelaatbaarverklaring uitspreken (zie ook HR 13 januari 1987,
NJ 1987/835 (https://www.navigator.nl/document/id341987011381348nj1987835dosred)). De minister moet op deze grond weigeren. Dat betekent, zoals ook in dit geval is gebeurd, dat het verzoek niet (meer) aan de rechter hoeft te worden voorgelegd. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de wetgever de mogelijkheid van schadevergoeding op grond van de UW in verbinding met Sv heeft willen openstellen, zoals hiervoor bedoeld.
Om die reden kan appellant niet worden ontvangen in zijn verzoek tot schadevergoeding bij de straf- dan wel uitleveringsrechter. Het hof verenigt zich derhalve met hetgeen de rechtbank heeft beslist, op gronden als hiervoor weergegeven
.

4.Beslissing

Het hof:
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, J.W. Moors en J.H. Wesselink, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 26 april 2016.