De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van kosten voor het opstellen en toelichten van een verzoekschrift in het kader van een uitleveringsprocedure. De verzoeker, een politiek vluchteling met status in Frankrijk, werd in Nederland aangehouden op basis van een internationale signalering en geplaatst in uitleveringsbewaring. De minister van Veiligheid en Justitie besloot echter de uitlevering niet toe te staan vanwege de vluchtelingenstatus van verzoeker.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het verzoek tot vergoeding niet-ontvankelijk. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de verzoeker aanspraak kon maken op vergoeding van kosten, ondanks dat de uitlevering niet door de rechter was afgewezen maar door de minister was geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitleveringswet, een exclusieve ministeriële weigeringsgrond.
Het hof overwoog dat de wetgever de mogelijkheid tot vergoeding van kosten heeft beperkt tot situaties waarin de rechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart. Omdat in deze zaak de minister de uitlevering weigerde op een uitsluitend aan hem toebedeelde grond, en de rechter niet aan de orde kwam, bestaat geen grond voor vergoeding. Het hof bevestigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek af.