Uitspraak
Onderzoek van de zaak
12 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een zedenzaak waarbij de verdachte ontuchtige handelingen pleegde met een minderjarige onder de zestien jaar.
De advocaat-generaal had een gevangenisstraf en werkstraf gevorderd, maar het hof besloot het vonnis van de rechtbank te bevestigen en voegde toe dat op grond van artikel 9a Sr geen straf of maatregel moet worden opgelegd. Het hof nam het aanzienlijke tijdsverloop sinds de feiten in september en oktober 2012 mee, dat niet aan de verdachte te wijten was.
Daarnaast speelde mee dat de verdachte reeds gevolgen had ondervonden, zoals aanhouding buiten heterdaad, voorlopige hechtenis, belemmeringen in zijn loopbaan en persoonlijke relaties. Het hof oordeelde dat de normoverschrijdendheid van het gedrag voor de verdachte indringend duidelijk was geworden en dat oplegging van straf of maatregel niet noodzakelijk was voor speciale preventie.
Hoewel bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen pleegde met een minderjarige, werd vastgesteld dat er geen sprake was van pedofilie. Het hof zag daarom geen noodzaak tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en besloot af te zien van strafoplegging.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis maar ziet af van strafoplegging wegens tijdsverloop en persoonlijke gevolgen voor verdachte.