ECLI:NL:GHAMS:2016:2037

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
200.180.804/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 282a lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 282a lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht in hoger beroep familierecht

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland. Bij de indiening van het beroepschrift was zij griffierecht verschuldigd, dat binnen vier weken betaald moest worden. De betaling vond echter vijf dagen te laat plaats.

De vrouw voerde ziekte van haar advocaat aan als reden voor de te late betaling. Het hof oordeelde dat deze omstandigheid onvoldoende grond bood om de hardheidsclausule toe te passen, omdat de situatie in de risicosfeer van de vrouw lag. Desondanks besloot het hof de hardheidsclausule toe te passen omdat niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Het hof verklaarde de vrouw ontvankelijk in haar hoger beroep en stelde de man in de gelegenheid om binnen een termijn een verweerschrift in te dienen. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.

Uitkomst: Appellant wordt ontvankelijk verklaard ondanks te late betaling van griffierecht door toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 31 mei 2016
Zaaknummer: 200.180.804/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/15/228612 / FA RK 15-3874
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
De vrouw is op 20 november 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 augustus 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/228612 / FA RK 15-3874.
1.3.
Bij brief van 25 november 2015 heeft de griffie van dit hof de vrouw medegedeeld dat zij vanaf de indiening van het beroepschrift griffierecht verschuldigd is en zij ervoor zorg dient te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het hof.
1.4.
Op 24 december 2015 is een brief van (de advocaat van) de vrouw ingekomen.
1.5.
Bij brief van 28 december 2015 heeft de griffie van dit hof de vrouw medegedeeld dat zij het verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor geldende betalingstermijn heeft voldaan en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld zich uiterlijk op 11 januari 2016 schriftelijk uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
1.6.
Op 5 januari 2016 is een brief van de man ingekomen.

2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.
Ingevolge artikel 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is de verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dient de verzoeker ervoor zorg te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling van de zaak plaatsvindt.
Op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een verzoeker, indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en nadat hij in de gelegenheid is gesteld zich hierover uit te laten, niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek. Op basis van het vierde lid van artikel 282a Rv kan de rechter deze bepaling buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing hiervan, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.2.
Het hof stelt vast dat het beroepschrift op 20 november 2015 is ingediend. Het griffierecht is door de vrouw betaald op 23 december 2015, derhalve vijf dagen na de uiterste betaaldatum (18 december 2015).
2.3.
De (advocaat van de) vrouw verzoekt de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar te achten. Ter onderbouwing stelt zij dat zij niet in staat was het griffierecht tijdig te voldoen in verband met ziekte van de advocaat van de vrouw.
2.4.
Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd op zichzelf onvoldoende grond voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 282a lid 2 Rv. De omstandigheid die volgens de vrouw tot de te late betaling heeft geleid, ligt immers in de risicosfeer van de vrouw. Niettemin zal het hof die hardheidsclausule toepassen en een niet-ontvankelijk verklaring achterwege laten. Aangezien de vrouw ruimschoots binnen een termijn van twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn het griffierecht heeft voldaan, zou niet-ontvankelijkverklaring leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 282a, vierde lid Rv. Voor het overige wordt voor de aan deze beslissing ten grondslag liggende overwegingen kortheidshalve verwezen naar rechtsoverweging 2.4. van de beschikking van dit hof van 24 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4928).
2.5.
Nu de vrouw in haar hoger beroep kan worden ontvangen, zal aan de man na te noemen verweertermijn worden verleend.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
bepaalt dat de man tot en met
12 juli 2016een verweerschrift in hoger beroep ter griffie van het hof kan indienen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Meerman-Padt in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2016.