ECLI:NL:GHAMS:2016:2268

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juni 2016
Publicatiedatum
15 juni 2016
Zaaknummer
23-003247-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 423 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak wegens ontbreken correcte dagvaarding en schending oproepingsvereiste

In deze ontnemingszaak was de veroordeelde eerder veroordeeld door de politierechter voor medeplegen van oplichting en tot betaling van een bedrag van € 5.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen het vonnis over de ontnemingsvordering. Tijdens het hoger beroep stelde de raadsvrouw van de veroordeelde dat de dagvaarding niet op de wettelijk voorgeschreven wijze was betekend, omdat geen afschrift was gestuurd naar het laatst bekende woon- of verblijfadres in het buitenland.

Het hof stelde vast dat de eerste rechter buiten aanwezigheid van de veroordeelde had geoordeeld, terwijl deze niet op correcte wijze was opgeroepen. De ID-staat uit het SKDB toonde aan dat het laatst bekende adres in het buitenland was, maar dat de dagvaarding daar niet was toegezonden, in strijd met artikel 588, tweede lid, Sv. Hierdoor had de politierechter niet aan de behandeling ten gronde mogen toekomen.

Op grond van vaste jurisprudentie en artikel 423, tweede lid, Sv, besloot het hof het vonnis te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de politierechter. De zaak moet opnieuw worden behandeld met inachtneming van de juiste oproepingsvereisten, zodat de veroordeelde op correcte wijze kan worden gehoord.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter wegens het niet correct toezenden van de dagvaarding.

Uitspraak

Parketnummer: 23-003247-15
Datum uitspraak: 1 juni 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 december 2014 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-851276-12 tegen de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres 1].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 5.000.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2012
veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van oplichting.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 3 december 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Terugwijzing

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, omdat de veroordeelde niet op de bij wet voorgeschreven wijze is opgeroepen nu er geen afschrift van de inleidende dagvaarding is verstuurd naar de ten tijde van de betekening van de dagvaarding bekende woon- of verblijfplaats van de veroordeelde in het buitenland en de politierechter mitsdien niet aan de behandeling van de zaak had mogen toekomen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen omdat uit de aan de akte van uitreiking gehechte ID-staat van het SKDB van 21 augustus 2014 blijkt dat de veroordeelde sinds 12 juli 2009 is vertrokken met onbekende bestemming.
Het hof stelt voorop dat, overeenkomstig vaste jurisprudentie, op grond van artikel 423, tweede lid, Sv terugwijzing dient plaats te vinden wanneer de eerste rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen, omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting - waartoe de veroordeelde wordt gerekend - aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.
Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 oktober 2012 heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de veroordeelde. Uit een door de raadsvrouw overgelegde ID-staat uit het SKDB van 12 oktober 2015 blijkt dat het adres [adres 2] op 13 juli 2012 is geregistreerd als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de veroordeelde. Naar dit adres is geen afschrift van de dagvaarding toegezonden, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 588, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv). Hieruit volgt dat de rechter in eerste aanleg heeft beslist over de hoofdzaak, terwijl hij niet had mogen toekomen aan de behandeling ten gronde.
Bij die stand van zaken moet, gelet op hetgeen voorop is gesteld, de zaak worden teruggewezen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde de zaak op de inleidende dagvaarding te berechten en af te doen in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van het uitroepen van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.M. van Amsterdam, en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2016.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.