ECLI:NL:GHAMS:2016:2815

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 juni 2016
Publicatiedatum
19 juli 2016
Zaaknummer
200.168.542/01 OK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:350 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding onderzoeker en kostenonderzoek in enquêteprocedure Rotterdamse Taxi Centrale

De Ondernemingskamer Amsterdam behandelde een enquêteprocedure tegen RTC Franchise en Rotterdamse Taxi Centrale (RTC). In eerdere beschikkingen was een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise vanaf 1 januari 2009, met een maximale onderzoekskostenplafond dat meerdere malen werd verhoogd van €50.000 naar uiteindelijk €70.000 exclusief omzetbelasting.

Mr. P.D. Olden werd aangewezen als onderzoeker. Na afronding van het onderzoek overhandigde hij een declaratieoverzicht met een totaalbedrag van €65.000 exclusief omzetbelasting. De Ondernemingskamer gaf partijen de gelegenheid om op dit bedrag te reageren, maar er werden geen bezwaren ingebracht.

De Ondernemingskamer oordeelde dat het bedrag niet onredelijk was en stelde de vergoeding van de onderzoeker conform artikel 2:350 lid 3 BW Pro vast op €65.000 exclusief omzetbelasting. Tevens verklaarde de kamer deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis werd uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van 13 juni 2016.

Uitkomst: De vergoeding van de onderzoeker wordt vastgesteld op €65.000 exclusief omzetbelasting.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.168.542/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 13 juni 2016
inzake
1. [verzoeker 1]
(...)
23. [ verzoeker 23]
VERZOEKERS
advocaten: en, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,
mr. P. Haasmr. B. Verkerk
t e g e n
1. de naamloze vennootschap
ROTTERDAMSE TAXI CENTRALE RTC N.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RTC FRANCHISE B.V.,
beide gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTERS,
advocaten:
mr. J.G. Princenen
mr. J.P.D. van de Klift, beiden kantoorhoudende te Rotterdam,
e n t e g e n
1. [belanghebbende 1]
(...)
60. [ belanghebbende 60]
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. M.E.C. Lok en mr. B. Kemp, beiden kantoorhoudende te Den Haag

1.Het verloop van het geding

1.1
Partijen worden hierna verzoekers, RTC, RTC Franchise en belanghebbenden genoemd.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 11 september 2015, 18 september 2015, 2 december 2015, 24 maart 2016 en 14 april 2016.
1.3
Bij de beschikking van 11 september 2015 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise over de periode vanaf 1 januari 2009, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 50.000, de omzetbelasting daarin niet begrepen, en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van RTC en RTC Franchise.
1.4
Bij de beschikking van 18 september 2015 heeft de Ondernemingskamer mr. P.D. Olden (hierna: de onderzoeker) aangewezen als onderzoeker.
1.5
Bij de beschikking van 2 december 2015 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 60.000, de omzetbelasting daarin niet begrepen. Bij de beschikking van 24 maart 2016 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 70.000, de omzetbelasting daarin niet begrepen. Telkens is daarbij bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van RTC en RTC Franchise.
1.6
Bij de beschikking van 14 april 2016 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag met bijlagen van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van RTC en RTC Franchise ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.7
De onderzoeker heeft bij zijn e-mailbericht aan de Ondernemingskamer van 25 april 2016 een declaratieoverzicht alsmede de declaraties met bijbehorende urenspecificatie overgelegd van alle in deze zaak verrichte werkzaamheden met betrekking tot het onderzoek. Hieruit volgt dat hij kosten in verband met het onderzoek in rekening heeft gebracht ten bedrage van € 65.000, de omzetbelasting daarin niet begrepen.
1.8
De Ondernemingskamer heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in 1.7 genoemde stukken. Hierop heeft de Ondernemingskamer van geen der partijen vernomen.

2.De gronden van de beslissing

Tegen het door de onderzoeker vermelde bedrag aan onderzoekskosten zijn geen bezwaren aangevoerd. Dit bedrag komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW Pro dan ook bepalen als hierna te vermelden.

3.De beslissing

De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 65.000, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L Broekhuijsen-Molenaar en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en H. de Munnik en mr. J.B.M. Streppel, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 13 juni 2016.