ECLI:NL:GHAMS:2016:345
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.G. Kemmers
- A.N. van de Beek
- L.H.M. Zonnenberg
- Rechtspraak.nl
Partneralimentatie: geen verrekening onderhoudskosten voormalig echtelijke woning bij draagkrachtberekening
Partijen zijn in 1988 gehuwd en hun huwelijk is in april 2015 ontbonden. De man woont met de meerderjarige kinderen in de voormalige echtelijke woning en is werkzaam in loondienst. De vrouw ontvangt een WWB-uitkering en huurt een woning. In eerste aanleg is bepaald dat de man een partneralimentatie van €948 per maand aan de vrouw moet betalen.
De man is in hoger beroep gegaan tegen dit deel van de beschikking en stelt dat bij de draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met een maandelijkse last van €600 vanwege groot achterstallig onderhoud aan de woning die aan hem is toegedeeld. Hij betoogt dat deze kosten in feite een schuldaflossing betreffen die partijen ook samen hadden moeten dragen en dat de partnerbijdrage niet tot voordeel van de vrouw strekt omdat deze wordt gekort op haar uitkering.
Het hof overweegt dat de woning is getaxeerd op €190.000 en dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat de werkelijke waarde lager is. Uitgaven voor onderhoud na de boedelscheiding leiden tot waardevermeerdering en mogen niet leiden tot vermindering van de draagkracht. De stelling van de man dat advocaatkosten in mindering moeten worden gebracht wordt verworpen, omdat deze kosten niet als noodzakelijke last gelden zonder bijzondere omstandigheden.
Ook het betoog dat de vrouw geen belang heeft bij alimentatie omdat zij een gelijke WWB-uitkering ontvangt wordt verworpen. De onderhoudsplicht volgt uit artikel 1:157 BW Pro en dient te voorzien in de kosten van levensonderhoud. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het hoger beroep af; de onderhoudskosten worden niet in mindering gebracht op de draagkracht.