ECLI:NL:GHAMS:2016:3484

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2016
Publicatiedatum
29 augustus 2016
Zaaknummer
23-000730-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 APV 2008 AmsterdamArt. 6.1 APV 2008 AmsterdamArt. 23 SrArt. 24a SrArt. 24c Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor aanbieden van (nep)drugs op het Leidseplein

Op 21 mei 2015 hield verdachte zich op het Leidseplein in Amsterdam op met de bedoeling om middelen als bedoeld in de Opiumwet, althans daarop gelijkende waar, aan te bieden. Dit werd geconstateerd door opsporingsambtenaren die verdachte zagen een toerist aanspreken en het woord 'cocaïne' hoorden noemen. Bij verdachte werden twee wikkels met wit poeder aangetroffen.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was omdat alleen een toerist, van wie geen personalia bekend zijn, had verklaard dat verdachte het woord 'cocaïne' gebruikte. Het hof verwierp dit verweer en achtte het bewijs, waaronder de waarnemingen van de politie en de aangetroffen goederen, wettig en overtuigend.

Het hof verklaarde bewezen dat verdachte zich op de openbare weg bevond met de intentie om drugs of daaraan gelijkende middelen aan te bieden, hetgeen strafbaar is volgens de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam. De eerdere veroordeling van de kantonrechter werd vernietigd en het hof legde een geldboete van €250 en 5 dagen hechtenis op, met een betalingsregeling in vijf termijnen van €50 per maand.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de overlast op de openbare weg en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen voor andere feiten. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 augustus 2016.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €250 en 5 dagen hechtenis wegens het aanbieden van middelen gelijkend op drugs op het Leidseplein.

Uitspraak

parketnummer: 23-000730-16
datum uitspraak: 19 augustus 2016
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 1 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-107389-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 mei 2015 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten het Leidseplein, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal met nummer 2015115779-1 van 21 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisanten:
Op 21 mei 2015 zag ik, [verbalisant 1], een man die later bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortedag]1989 te Amsterdam. Ik zag op het Leidseplein te Amsterdam dat er vier toeristen stonden. Ik zag dat [verdachte] een toerist aansprak. Ik zag dat de toerist “nee” knikte met zijn hoofd. Ik ben na het gesprek naar de toeristen gelopen, heb mij als politie gelegitimeerd en heb gevraagd wat [verdachte] vroeg. Ik hoorde de toerist zeggen dat [verdachte] “Cocaine, cocaine” had gezegd.
Bij de insluitingsfouillering zijn door collega [verbalisant 3] twee wikkels met wit poeder in de ruimte aangetroffen. De ruimte was voordat [verdachte] plaatsnam leeg en schoon.
2. Een proces-verbaal met nummer 2015115779 van 21 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verdachte:
Ik doe bij deze afstand van de bij mij aangetroffen goederen, welke hieronder worden genoemd. Ik oefen hier niet langer rechten op uit en geef toestemming om de goederen te vernietigen.
Omschrijving goederen: 2x wikkel met wit poeder

Bespreking verweer

De raadsman heeft betoogd dat het feit niet kan worden bewezen omdat alleen een toerist waarvan de personalia niet zijn opgenomen, heeft verklaard dat door de verdachte het woord “cocaïne” is genoemd.
Het hof verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat -naast de verklaring van de toerist- door een verbalisant is gezien dat de verdachte de toerist aansprak, dat de toerist “nee” ‘knikte’ en dat bij de verdachte twee wikkels met wit poeder zijn aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 mei 2015 te Amsterdam zich op de weg, te weten het Leidseplein, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet, althans daarop gelijkende waar te koop aan te bieden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 325,-, subsidiair 6 dagen hechtenis.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft met zijn handelen overlast en hinder veroorzaakt op de openbare weg. Blijkens een , de verdachte betreffend, uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 juli 2016 is de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, maar niet voor feiten als de onderhavige.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2.7 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam en de artikelen 23, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de
geldboetemag worden voldaan in
5 (vijf) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 50,00 (vijftig euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 augustus 2016.
Mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.W. Moors en mr. S. Ourahma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.