ECLI:NL:GHAMS:2016:3718

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
16 september 2016
Zaaknummer
200.180.234/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 551 BW (Russisch Burgerlijk Wetboek)Art. 256 BW (Russisch Burgerlijk Wetboek)Art. 305 BW (Russisch Burgerlijk Wetboek)Art. 556 BW (Russisch Burgerlijk Wetboek)Art. 36 FamW (Russisch Familiewetboek)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot deskundigenonderzoek naar eigendomsoverdracht onroerende zaak onder Russisch recht

In deze zaak tussen een vrouw en een man, beide woonachtig in Nederland, staat de vraag centraal wanneer volgens Russisch recht de eigendomsoverdracht van een appartement in Rusland plaatsvindt. Het hof bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime, maar dat de eigendomsoverdracht van het onroerend goed volgens Russisch recht moet worden beoordeeld.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op de voorgenomen vraagstelling aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI), waarbij de vrouw aanvullende Russische wetsartikelen aandraagt en de man stelt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime. Het hof besluit dat de aanvullende Russische bepalingen niet relevant zijn voor de vraagstelling.

Het hof beveelt het IJI aan om schriftelijk te rapporteren over drie kernvragen: het moment van eigendomsoverdracht volgens Russisch recht, welk document geregistreerd moet worden (koopcontract, leveringsakte of beide), en de betekenis van artikel 9 van Pro het koopcontract. De kosten van het onderzoek komen voor rekening van de staat. De behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden.

Uitkomst: Het hof beveelt een deskundigenonderzoek aan het Internationaal Juridisch Instituut om de eigendomsoverdracht van het appartement volgens Russisch recht te onderzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 13 september 2016
Zaaknummer: 200.180.234/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: C14/154345 / FA RK 14-972
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.I. Lunshof te Zwaag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.G.A. van Leeuwen te Hoorn.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 26 april 2016.
1.3.
De vrouw heeft daarna gedateerd 10 mei 2016 en 14 juni 2016 brieven en stukken ingediend. De man heeft op 11 mei 2016 en 28 juni 2016 berichten en op 8 juni 2016 een brief ingediend.

2.Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1.
In de tussenbeschikking van 26 april 2016 heeft het hof overwogen voornemens te zijn het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI), (adres thans:) R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN ’s-Gravenhage tot deskundige te benoemen ter beantwoording van de hieronder geformuleerde vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van Pro het koopcontract?
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen te maken over deze voorgenomen vraagstelling en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de opmerkingen van partijen.
2.2.
De man heeft het hof op 11 mei 2016 bericht dat hij geen opmerkingen heeft naar aanleiding van de door het hof voorgenomen vraagstelling aan het IJI.
De vrouw heeft in haar brief van 10 mei 2016 gewezen op de toelichting bij artikel 551 van Pro het Russische BW, als ook op artikel 36 eerste Pro paragraaf van het Russische Familiewetboek en artikel 256 paragraaf Pro 2 van het Russische BW, die volgens haar ook van toepassing zijn. Zij verzoekt het hof het IJI te verzoeken de vragen van het hof in het licht van de genoemde artikelen en de toelichting daarbij te beantwoorden.
Na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de man met brief van 7 juni 2016 een reactie gegeven op de brief van de vrouw. De man heeft zijnerzijds gewezen op sectie VII, artikel 161, paragraaf 1 van het Russische Familiewetboek en is op grond van deze bepaling van mening dat Nederlands recht van toepassing is op, zo begrijpt het hof, het huwelijksgoederenregime van partijen. Indien het hof besluit om het verzoek van de vrouw te honoreren, verzoekt de man de door de vrouw genoemde bepalingen door het IJI te laten beoordelen in het kader van sectie VII, artikel 161, paragraaf 1 van het Russische Familiewetboek.
Bij brief van 14 juni 2016 heeft de vrouw het hof vertalingen van de toelichting op de artikelen 551 en 305 van het Russische BW doen toekomen, alsmede een vertaling van de artikelen 256 paragraaf 2 en 556 van het Russische BW en van artikel 36 van Pro het Russische Familiewetboek. De man heeft op 28 juni 2016 bericht geen gebruik te maken van de door het hof geboden mogelijkheid om op deze stukken nader te reageren.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking is vastgesteld dat op de echtscheiding en de nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing is. Geen van partijen heeft tegen dit oordeel een grief gericht. Daarmee staat vast dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen. Dit brengt met zich dat uitsluitend de vraag wanneer de eigendomsoverdracht van het appartement heeft plaatsgevonden dient te worden beantwoord naar Russisch recht, nu het appartement op het grondgebied van de Russische Federatie is gelegen. De door de vrouw in haar brief van 10 mei 2016 genoemde artikelen 36 eerste paragraaf van het Russische Familiewetboek en artikel 256 paragraaf Pro 2 van het Russische BW zien op het Russische huwelijksvermogensrecht. Toepasselijkheid van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht sluit toepasselijkheid van het Russische huwelijksvermogensrecht uit. De uitleg van artikel 551 van Pro het Russische BW is, zoals voortvloeit uit hetgeen het hof heeft overwogen in de beschikking van 26 april 2016, inbegrepen in de door het hof voorgestelde vraagstelling. Het hof zal het verzoek van de vrouw dan ook niet honoreren.

3.Beslissing

Het hof:
beveelt een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI), gevestigd R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN ’s-Gravenhage ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Op welk moment vindt naar Russisch recht tussen partijen bij het koopcontract (de koper en de verkoper) de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak plaats:
- bij de ondertekening door de koper en de verkoper van de leveringsakte
- of na registratie van staatswege van de overdracht van de eigendomsrechten?
2. Indien de eigendomsoverdracht tussen de koper en de verkoper plaatsvindt na registratie van staatswege, om registratie van welk document gaat het dan: het koopcontract, de leveringsakte of beide?
3. Welke betekenis dient in verband met voorgaande vragen te worden gehecht aan de inhoud van artikel 9 van Pro het koopcontract?
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking alsmede van het procesdossier aan het IJI zal toezenden;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek voor s’ Rijks kas zullen zijn;
bepaalt dat het IJI een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van dit hof vóór
8 januari 2017onder indiening van zijn declaratie met vermelding van bovenstaand zaaknummer;
bepaalt dat de behandeling van de zaak daartoe zal worden aangehouden pro forma tot zondag
8 januari 2017;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. G.B.C.M. van der Reep en mr. J. Jonkers in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2016.