Uitspraak
1985,
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde op 14 september 2016 het verzoek van de verdachte tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis. De verdachte was door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens diefstal door middel van braak, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw van de verdachte voerde aan dat de straf te hoog was en dat persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen. Tevens werd betoogd dat de voorlopige hechtenis geschorst moest worden omdat de strafvorderlijke belangen niet opwogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte. De advocaat-generaal verzette zich hiertegen.
Het hof oordeelde dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan en dat vluchtgevaar niet alleen bestaat bij vrees voor onttrekking aan berechting, maar ook aan tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Gezien de straf van minder dan vier maanden en de toepasselijkheid van de Overleveringswet achtte het hof voldoende reden om vluchtgevaar aan te nemen. Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens vluchtgevaar.