Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
5.Beslissing
2 april 2017;
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen die bij de moeder verblijven. Na ontbinding van het huwelijk is het gezag over de kinderen aan de moeder toegekend en is de vader het omgangsrecht ontzegd. De vader is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en verzocht om omgang met de kinderen.
Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet haalbaar is vanwege het ontbreken van communicatie en de emotionele draagkracht van de moeder. De moeder heeft een posttraumatische stressstoornis en depressie, en vertoont onvoldoende draagkracht om overleg met de vader te voeren. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder het gezag alleen uitoefent.
Ten aanzien van het omgangsrecht overweegt het hof dat omgang op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De moeder is emotioneel niet in staat om medewerking te verlenen en de kinderen zijn afhankelijk van haar. De therapie van de moeder en één kind is nog gaande, waardoor het te vroeg is voor een raadsonderzoek naar omgang. De behandeling van het geschil over omgang wordt aangehouden tot 2 april 2017, waarna een rapportage over de therapie en draagkracht wordt verwacht.
Het hof wijst het verzoek van de vader om de moeder in de kosten te veroordelen af en bekrachtigt de beschikking dat het gezag aan de moeder toekomt. Het verzoek tot omgang wordt afgewezen en de zaak wordt pro forma aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het hof bevestigt het eenhoofdig gezag van de moeder en wijst het verzoek tot omgang af met uitstel van de omgangsregeling tot nadere rapportage.