Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep en het verzoek tot voorlopige voorzieningen
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn na echtscheiding verwikkeld in een geschil over de huur van de voormalige echtelijke woning, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, en een aanvullende bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
De vrouw verzocht om toewijzing van het huurrecht van de woning, verhoging van de kinderbijdrage en een bijdrage in haar levensonderhoud. De man verzocht afwijzing van deze verzoeken en stelde een zorgregeling voor het kind voor. Het hof stelde vast dat de woning een huurwoning betreft en kende het huurrecht toe aan de vrouw. De kinderbijdrage werd vastgesteld op €384,- per maand, rekening houdend met de draagkracht van partijen en een zorgkorting vanwege de beperkte zorg van de man.
De vrouw kon haar behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud onvoldoende onderbouwen, zodat dit verzoek werd afgewezen. De zorgregeling werd vastgesteld op één dinsdagmiddag in de drie weken, maximaal drie uur contact tussen vader en kind, met afspraken over ophalen en terugbrengen. Het verzoek tot voorlopige voorzieningen werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het hof kent de vrouw het huurrecht toe, stelt de kinderbijdrage op €384,- per maand vast, bepaalt een zorgregeling en wijst het verzoek tot levensonderhoud af.