Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
[dochter]is het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking die hem verplichtte een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn jongmeerderjarige dochter, die sinds oktober 2014 uitwonend is en voltijds studeert. De man verzocht om de bijdrage op nihil te stellen of een lager bedrag te bepalen.
Het hof heeft vastgesteld dat de dochter een behoefte heeft van €377 per maand en dat zij eigen inkomsten heeft uit diverse werkzaamheden, waaronder een stagevergoeding. De man stelde dat zij volledig in haar behoefte kon voorzien, maar het hof vond dat zij slechts gedeeltelijk in haar behoefte voorziet, gelet op haar aangiften inkomstenbelasting en de stagevergoeding.
Het hof heeft daarom een bedrag van €150 per maand in mindering gebracht op haar behoefte vanwege haar eigen inkomsten, waardoor de resterende behoefte €227 per maand bedraagt. De draagkracht van de man is vastgesteld op €573 per maand en die van de vrouw op €25 per maand, waardoor het aandeel van de man €218 per maand bedraagt.
De beschikking van de rechtbank is vernietigd voor zover deze de bijdrage betreft en het hof heeft de bijdrage van de man vastgesteld op €218 per maand met ingang van 18 april 2014, met terugwerkende kracht en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn dochter is vastgesteld op €218 per maand vanaf 18 april 2014.