Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1995 gehuwd en in 2006 gescheiden waarbij de man een kinderbijdrage van €300 per kind per maand is opgelegd, geïndexeerd tot €350,73 in 2015. De man verzocht om verlaging van deze bijdrage wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder ontslag en beperkte verdiencapaciteit door een strafrechtelijke veroordeling die zijn werk als beveiliger belemmerde.
De vrouw vorderde handhaving van de oorspronkelijke bijdrage en aanvullende informatie over de financiële situatie van de man, waaronder ontslagvergoeding en besteding daarvan. Het hof constateerde dat de man onvoldoende inzicht gaf in zijn inkomsten en ontslagvergoeding, en dat zijn stellingen over het ontbreken van een ontslagvergoeding niet consistent waren.
Hoewel het inkomen van de man was gedaald, was niet gebleken dat hij niet in staat was de bijdrage te voldoen. Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk voor het deel van de bijdrage na meerderjarigheid van het oudste kind en wees het verzoek van de man tot verlaging af voor het jongste kind en het oudste kind tot meerderjarigheid.
De bijdrage werd vastgesteld op €300 per kind per maand vanaf 1 september 2014, met uitzondering van het oudste kind na meerderjarigheid waarvoor €25 per maand bleef gelden. Partijen dragen elk hun eigen kosten van hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlaging van de kinderbijdrage af en bepaalt de bijdrage op €300 per kind per maand vanaf 1 september 2014.