ECLI:NL:GHAMS:2016:4400

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
11 november 2016
Zaaknummer
200.189.119/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 RvArt. 806 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen beschikking bewind en mentorschap

De dochter is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter waarin haar moeder onder bewind is gesteld en een mentorschap is ingesteld vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand. De zoon is benoemd tot bewindvoerder en mentor.

De moeder stelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat het beroepschrift buiten de beroepstermijn was ingediend. De kantonrechter had op 6 januari 2016 mondeling uitspraak gedaan, maar de schriftelijke beschikking dateerde van 14 januari 2016. Het hof oordeelde dat de mondelinge mededeling geen definitieve uitspraak was, omdat de beslissing nog niet openbaar was gemaakt en de beschermingsmaatregelen niet waren vastgesteld.

De schriftelijke beschikking van 14 januari 2016, waarin de bewindvoering en het mentorschap formeel werden ingesteld en de personalia van de bewindvoerder en mentor werden vermeld, vormde de dag van de uitspraak. Het hoger beroep was binnen drie maanden na deze datum ingesteld, waardoor de dochter ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de dochter ontvankelijk en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 8 november 2016
Zaaknummer: 200.189.119/01
Zaaknummers eerste aanleg: 4542781 BM VERZ 15-2686 en 4542782 MB VERZ 15-446 MK
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellante,
advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
  • mevrouw [A] (hierna te noemen: de moeder);
  • de heer [B] (hierna te noemen: de zoon).

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellante wordt hierna de dochter genoemd.
1.2.
De dochter is op 11 april 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kantonrechter) met kenmerk 4545781 BM VERZ 15-2686 en 4542782 MB VERZ 15-446 MK, die als uitspraakdatum vermeldt 14 januari 2016.
1.3.
De moeder heeft op 20 juli 2016 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zaak is op 15 september 2016 ter terechtzitting in hoger beroep behandeld.
1.5.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de dochter, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder en de zoon, bijgestaan door mr. M.M. van Wijk te leiden.

2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.
De vraag dient te worden beantwoord of de dochter ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de onder 1.2. genoemde beschikking. Bij deze beschikking zijn de goederen die aan de moeder (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand onder bewind gesteld en is ten behoeve van haar een mentorschap ingesteld. Daarbij is de zoon benoemd tot bewindvoerder en mentor.
2.2.
De moeder stelt dat de dochter niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij haar beroepschrift buiten de beroepstermijn heeft ingediend. De kantonrechter heeft ter zitting op 6 januari 2016 mondeling uitspraak gedaan, zodat de beroepstermijn op dat moment is ingegaan. Daarbij is niet relevant dat op de schriftelijke beschikking een andere datum vermeld staat, aldus de moeder.
De dochter heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.
2.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 806 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 358 Rv Pro, van een beschikking hoger beroep kan worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak dan wel door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking op andere wijze bekend is geworden.
Uit het proces-verbaal van de behandeling ter zitting bij de kantonrechter op 6 januari 2016 blijkt dat de kantonrechter, voor zover hier relevant, ter zitting heeft medegedeeld:
”Ik ga een beslissing nemen. Ik heb met iedereen gesproken. Op basis van het gesprek en op basis van de stukken vind ik het in het belang van betrokkene dat er iemand wordt aangesteld die alles formeel regelt. Voor de keuze van de bewindvoerder en mentor ga ik de wens van betrokkene volgen […..]”.
Het hof overweegt dat onder de dag van de uitspraak wordt verstaan de dag waarop de rechterlijke uitspraak openbaar wordt gemaakt. Aan deze eis voldoen de mededelingen van de kantonrechter op 6 januari 2016 naar het oordeel van het hof niet. De kantonrechter heeft immers gezegd dat zij een beslissing
gaatnemen en de wens van betrokkene
gaatvolgen, hetgeen impliceert dat deze beslissingen niet op dat moment openbaar zijn gemaakt en dat de kantonrechter slechts heeft willen meedelen hoe de uitspraak zal komen te luiden. Bovendien is blijkens het proces-verbaal de aard van de te nemen beschermingsmaatregelen niet als zodanig ter zitting bepaald, noch zijn de gegevens vermeld van degene die de maatregelen zal uitvoeren. Eerst met de beschikking van 14 januari 2016 zijn de maatregelen van bewind- en mentorschap ingesteld en zijn de personalia van de bewindvoerder en mentor genoemd. Deze beschikking is aan belanghebbenden toegezonden, zodat dit de uitspraak betreft die aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Dit oordeel brengt met zich dat de dochter tijdig, te weten binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, in appel is gekomen, zodat zij zal worden ontvangen in haar verzoek.
2.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart de dochter ontvankelijk in haar hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan;
gelast de oproeping van partijen tegen een nog nader te bepalen datum.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.