ECLI:NL:GHAMS:2016:4897

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 november 2016
Publicatiedatum
24 november 2016
Zaaknummer
23/004099-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 SvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige hechtenis wegens onherroepelijke gevangenisstraf in andere zaak

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 23 november 2016 in raadkamer een beschikking gegeven over het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. De verdachte zit momenteel vast in Detentiecentrum Schiphol en is onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden in een andere strafzaak.

De raadsman van de verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis voor de duur van de uitvoering van deze onherroepelijke straf. De advocaat-generaal concludeerde tot toewijzing van dit verzoek. Het hof overwoog dat het uitzitten van een opgelegde straf in beginsel een gunstigere vrijheidsbeneming is dan voorlopige hechtenis en daarom een grond kan zijn voor schorsing, mits er geen contra-indicaties zijn.

De schorsing geldt vanaf het moment dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt uitgevoerd tot de vrijlating in die zaak, met de voorwaarde dat verdachte zich aan bepaalde gedragsregels houdt, zoals het niet ontvluchten van de hechtenis, verschijnen op oproepen, en medewerking aan identificatie. De beschikking is gegeven door drie raadsheren en bekendgemaakt door de advocaat-generaal.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst zolang hij de onherroepelijke gevangenisstraf in een andere zaak uitzit, onder voorwaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGop een verzoek strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres],
thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft gezien de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte, waaronder het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 25 oktober 2016 (parketnummer 15/800175-16).
Voorts heeft het hof gezien het namens de verdachte ingediende verzoekschrift strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis, dat op 14 november 2016 bij het hof is binnengekomen.
Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 23 november 2016 gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, mr. M.L. van Gaalen.
Onder verwijzing naar het verzoekschrift heeft de raadsman van de verdachte verzocht de voorlopige hechtenis in de onderhavige strafzaak te schorsen voor de periode van de aan verdachte bij onherroepelijk vonnis (parketnummer 13/698552-15) opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.
De advocaat-generaal concludeert tot toewijzing van het schorsingsverzoek.
Het hof heeft gelet op artikel 80 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De beoordeling

Het hof is van oordeel dat het uitzitten van een onherroepelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in beginsel als alternatief kan dienen voor voorlopige hechtenis en – behoudens contra-indicaties - een grond voor schorsing kan opleveren aangezien het ondergaan van een reeds opgelegde vrijheidsstraf een op dat moment voor de verdachte gunstiger vorm van vrijheidsbeneming is dan de voorlopige hechtenis. Het hof gaat er hierbij vanuit dat nu er sprake is van een executie van een straf in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis detentiefasering niet zal plaatsvinden. Indien dit wel het geval is eindigt de schorsing van de voorlopige hechtenis op het moment van aanvang van de detentiefasering.

De beslissing

Het hof:
SCHORST het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment waarop de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 13/698552-15 ten uitvoer wordt gelegd, tot aan het moment dat de verdachte in de zaak met parketnummer 13/698552-15 in vrijheid wordt gesteld, met inachtneming van het hiervoor overwogene,
zulks onder de voorwaarden dat de verdachte:
1. indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
2. ingeval hij wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;
3. bij iedere oproeping vanwege een justitiële instantie in persoon zal verschijnen;
4. zich niet schuldig zal maken aan strafbare feiten;
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het
nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Deze beschikking is gegeven op 23 november 2016 in raadkamer van dit hof door
mr. F.A. Hartsuiker, voorzitter,
mrs. J.L. Bruinsma en J.H. Wesselink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 23 november 2016,
de advocaat-generaal