ECLI:NL:GHAMS:2016:5200
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging benoeming tijdelijke voogd na beëindiging ondercuratelestelling moeder
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de GI tot tijdelijke voogd over haar minderjarige kind benoemde vanwege haar ondercuratelestelling. Tijdens de procedure is de ondercuratelestelling van de moeder beëindigd en omgezet in bewind en mentorschap.
De moeder betwist haar onbevoegdheid tot gezagsuitoefening en verzoekt subsidiair om benoeming van de grootouders tot voogd. De Raad voor de Kinderbescherming stelt dat de voogdij gehandhaafd moet blijven en dat de GI als voogd moet optreden, mede vanwege het belang van het kind en het ontbreken van een verzoek tot herstel van het gezag door de moeder.
Het hof stelt vast dat de moeder ten tijde van de bestreden beschikking onder curatele stond en daardoor onbevoegd was het gezag uit te oefenen. De beëindiging van de ondercuratelestelling leidt ertoe dat deze onbevoegdheid is vervallen, maar herstel van het gezag kan alleen via een nieuw verzoek bij de rechtbank. Het hof acht het in het belang van het kind dat de GI als tijdelijke voogd blijft optreden en wijst het verzoek om benoeming van de grootouders af. Het verzoek om een contra-expertise wordt eveneens afgewezen omdat dit de uitkomst niet zou beïnvloeden.
De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.
Uitkomst: De benoeming van de GI tot tijdelijke voogd wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.