ECLI:NL:GHAMS:2016:5389

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
23-001223-16
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling na verkeersruzie met taakstraf opgelegd

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak over mishandeling op 22 juni 2014 te Rijswijk. De verdachte werd ervan beschuldigd het slachtoffer opzettelijk te hebben gestompt en geslagen, waardoor letsel en pijn ontstonden. De verdediging voerde persoonsverwisseling aan, maar het hof achtte dit niet aannemelijk vanwege sterke overeenkomsten op identiteitsfoto's en het ontbreken van bewijs voor een vermissing van het rijbewijs.

Het hof verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, namelijk het mishandelen van het slachtoffer tegen diens hoofd, oor en armen. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte werd bevestigd, zonder dat er strafuitsluitingsgronden waren.

De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €750,- subsidiair 15 dagen hechtenis. De advocaat-generaal vorderde een taakstraf van 30 uur subsidiair 15 dagen hechtenis, terwijl de raadsman pleitte voor een geheel voorwaardelijke geldboete vanwege de financiële situatie en het ontbreken van eerdere veroordelingen. Het hof oordeelde dat gezien de ernst van het feit en de omstandigheden een taakstraf passend is en legde een taakstraf van 30 uur op, met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen wegens mishandeling.

Uitspraak

parketnummer: 23-001223-16
datum uitspraak: 3 november 2016
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord Holland van 17 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 09-020233-15 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 juni 2014 te Rijswijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), tegen/in diens gezicht en/of hoofd en/of o(o)r(en) en/of arm(en) heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte niet de persoon is die het slachtoffer heeft mishandeld. Er is sprake van een persoonsverwisseling.
Het hof acht niet aannemelijk dat er sprake is van een persoonsverwisseling. De aangever heeft verklaard dat de foto op het door de verdachte overhandigde rijbewijs sterk overeen kwam met de persoon die hem vlak daarvoor had geslagen. Het hof merkt voorts op dat het alternatieve scenario - dat de verdachte zijn rijbewijs al geruime tijd kwijt is en het derhalve ook niet heeft kunnen gebruiken om zich te legitimeren - niet aannemelijk wordt geacht. Het wordt slechts gesteld door de verdediging maar verder wordt op geen enkele wijze aangegeven hoe en wanneer dit is gebeurd en ook de verdachte zelf heeft hierover niets verklaard, terwijl een aangifte van vermissing ontbreekt. Hierbij komt nog dat de persoon op de foto
op de identiteitskaart dermate sterke gelijkenis vertoont met de persoon rechts op de door de raadsman overgelegde foto, dat het hof ervan uitgaat dat het dezelfde persoon is. Beide foto’s zijn in hoger beroep op de terechtzitting voorgehouden aan de verdediging en de advocaat-generaal, waarbij gewezen is op de sterke gelijkenis en gevraagd is hierop te reageren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan,
met dien verstande dat:
hij op 22 juni 2014 te Rijswijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) tegen
diens hoofd en oor en armen heeft gestompt of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraat van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.
De raadsman heeft ten aanzien van de eventuele strafoplegging verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete. Daartoe heeft hij de financiële situatie van de verdachte aangevoerd alsmede het feit dat hij niet eerder is veroordeeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2016 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tijdens een verkeersruzie schuldig gemaakt aan een mishandeling. De verdachte heeft door zijn gedragingen het slachtoffer pijn en letsel toegebracht. Gelet op de ernst van het feit is het hof, alles afwegende, van oordeel dat een taakstraf passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam,
waarin zitting hadden mr. J.W. Moors, mr. S. Clement en mr. H.W.J. de Groot, in tegenwoordigheid
van G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2016.