ECLI:NL:GHAMS:2016:5393

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
23-004462-15
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling hond met verbeurdverklaring en taakstraf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak over mishandeling van een Amerikaanse Bulldog. De verdachte werd ervan beschuldigd zijn hond meerdere keren te hebben geslagen en gestompt, waardoor het dier letsel opliep. Het hof achtte bewezen dat de verdachte op 4 juli 2015 zonder redelijk doel en met overschrijding van het toelaatbare opzettelijk pijn en letsel aan zijn hond had toegebracht.

De bewijsvoering bestond uit getuigenverklaringen van twee getuigen die de mishandeling zagen en de toestand van de hond bevestigden, foto’s van het letsel en een verklaring van de dierenarts over stomp trauma. De verklaring van de verdachte dat de hond tegen een auto was gelopen, werd niet geloofd. De verdachte had bovendien tegenover de politie toegegeven hardhandig te zijn geweest.

Het hof verwierp het verweer van de verdachte en oordeelde dat het bewezen verklaarde strafbaar was volgens artikel 2.1 lid 1 van de Wet dieren. Gezien de ernst van het feit, de afhankelijkheid van de hond van de verdachte en eerdere veroordelingen van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 30 uur op met een proeftijd van 2 jaar. De hond werd verbeurd verklaard. Bijzondere voorwaarden werden niet opnieuw opgelegd omdat die reeds in een andere strafzaak van kracht waren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 30 uur met proeftijd van 2 jaar en verbeurdverklaring van de hond wegens mishandeling.

Uitspraak

parketnummer: 23-004462-15
datum uitspraak: 3 november 2016
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen
het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-184704-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
adres: [adres],
thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juni 2015 tot en met 4 juli 2015 te Uitgeest, althans in Nederland, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, opzettelijk bij een of meer dieren, te weten een/zijn hond (een Amerikaanse Bulldog, reu, genaamd [naam]), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, dat dier meermalen, althans eenmaal geslagen en/of gestompt tegen de kop en/of tegen de kont, althans tegen het lichaam en/of dat dier meermalen, althans eenmaal geschopt en/of getrapt tegen de kop en/of tegen de kont, althans tegen het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 4 juli 2015 te Uitgeest zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was opzettelijk bij een dier, te weten zijn hond (een Amerikaanse Bulldog, reu, genaamd [naam]), pijn en letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid en het welzijn van dat dier heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, dat dier meermalen geslagen en gestompt tegen de kop en tegen het lichaam.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. Het hof overweegt het volgende. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 4 juli 2015 heeft gezien dat de verdachte zijn hond sloeg op zijn kop en in de buik. De verklaring van [getuige 1]
vindt voor een deel steun in de verklaring van [getuige 2], waar het gaat om de gesteldheid van de hond
‘s avonds na de mishandeling en de agressieve houding van de verdachte tegen de hond. Voorts is er bewijs dat de hond op 4 juli 2015 letsel heeft opgelopen, gelet op de foto’s van het dier en de inhoud
van de verklaring van de dierenarts waarin - onder meer - sprake is van stomp trauma van de kop.
De verklaring van de verdachte, dat de hond tegen een auto is gelopen is niet aannemelijk geworden, aangezien deze objectieve onderbouwing ontbeert. Het hof hecht in dit verband meer waarde aan hetgeen de verdachte op 6 juli 2015 ten overstaan van de politie heeft verklaard, te weten “ik was eergisteren wel iets hardhandig met mijn hond en daar heb ik spijt van: ik heb hem met mijn vlakke hand tegen zijn kop aangegeven en aan zijn oren getrokken.”
Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 lid 1 Wet dieren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden en verbeurdverklaring van de hond.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, algemene en bijzondere voorwaarden conform de politierechter en verbeurdverklaring van de hond.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging aangevoerd dat bijzondere voorwaarden niet langer op zijn plaats zijn, nu er in een nieuwe strafzaak een dubbelrapportage wordt opgemaakt, waaruit zal moeten blijken wat de verdachte nodig heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn hond mishandeld waardoor de hond letsel heeft opgelopen. Dit getuigt van disrespect van de verdachte jegens zijn hond, temeer nu die hond voor zijn welzijn afhankelijk is van
de verdachte, zijn verzorger. Er is dan ook sprake van een ernstig feit. De verdachte is bovendien in 2014 voor wederspannigheid en vernielingen veroordeeld.
Het hof heeft acht geslagen op het over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 30 oktober 2015.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Nu reeds in het kader van een ander vonnis bijzonder voorwaarden van kracht zijn, ziet het hof geen noodzaak opnieuw deze bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2.1 van de Wet dieren.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK hond, omschrijving 465557, kleur wit/bruin, merk: Amerikaanse buldog.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W. Moors, mr. S. Clement en mr. H.W.J. de Groot, in tegenwoordigheid van
G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2016.