In deze civiele zaak ging het hoger beroep over de vraag of een buitengerechtelijke vernietiging van een vaststellingsovereenkomst rechtsgevolg heeft en daarmee een vordering kan rechtvaardigen. [X] vorderde betaling van een bedrag van € 28.743,90 van [geïntimeerde], stellende dat de vaststellingsovereenkomst met [A] buitengerechtelijk was vernietigd wegens dwaling.
De rechtbank wees de vordering af omdat niet was komen vast te staan dat de buitengerechtelijke vernietiging rechtsgevolg had gehad, mede omdat [A] niet in de vernietiging had berust. Het hof bevestigde dit oordeel en benadrukte dat zonder berusting van de wederpartij of een rechterlijke uitspraak de overeenkomst niet is vernietigd.
Het hof oordeelde dat de stelplicht en bewijslast bij [X] lagen om aan te tonen dat de overeenkomst was vernietigd en dat [A] daarin berustte. Dit was niet voldoende onderbouwd. De grieven van [X] faalden en het hof bekrachtigde het bestreden vonnis, waarbij [X] werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.