In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 april 2016. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, maar het hof verklaart het hoger beroep tegen deze vrijspraak niet-ontvankelijk vanwege wettelijke beperkingen.
Het hof bevestigt het vonnis voor zover het aan zijn oordeel is onderworpen, maar vernietigt de beslissingen over de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen. Het openbaar ministerie had gevorderd om de tenuitvoerlegging van verschillende voorwaardelijke straffen te gelasten omdat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd aan nieuwe strafbare feiten had schuldig gemaakt.
Het hof vervangt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraffen en jeugddetentie door taakstraffen in de vorm van werkstraffen van respectievelijk 120 en 114 uur, met een hechtenisvervanging bij niet-naleving. Tevens verlengt het hof de proeftijd met één jaar en stelt het bijzondere voorwaarden, waaronder meldingsplicht bij de reclassering, ambulante forensische zorg en verblijf in een instelling voor begeleid wonen. Het hof bevestigt verder het vonnis voor het overige.