Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
Oplegging van straf
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen die vrijspraak, conform artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Ook verklaarde het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen een vrijspraak wegens gebrek aan belang.
Tijdens de behandeling op 16 februari 2015, 19 januari 2016 en 2 februari 2016 heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, behalve ten aanzien van de straf, die het vernietigde en matigde. Het hof oordeelde dat het gedrag van de verdachten weliswaar verwijtbaar was, maar niet bewezen was dat zij de kans op een ongeval bewust op de koop toe hadden genomen.
De rechtbank had een gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, terwijl het openbaar ministerie 16 maanden had gevorderd. Het hof constateerde een schending van de redelijke termijn van ruim drie jaar tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak. Gelet hierop en de persoonlijke omstandigheden matigde het hof de straf tot 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
De wettelijke grondslag voor de straf bestond uit artikelen 36f, 47, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 februari 2016.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest.