Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[dochter 1] ,
[dochter 2],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Huur [adres] [nr. 3] en [nr. 4]
De nalatenschap is als volgt samengesteld:
(. . .) omdat door ondergetekende sub 2 gedurende meerdere jaren een lage huur zou zijn betaald in verband met door hem van de overledene en ondergetekende sub 1 gehuurde bedrijfsruimte en wegens een vermeende lage koopsom voor de aandelen in de familie onderneming, zijn partijen in overleg getreden om de hoogte van deze eventuele bevoordelingen vast te stellen.
De vordering van ondergetekende sub 2 bedraagt € 150.000,00 bruto voor heffing van erfbelasting.
De vordering in contanten zal ten laste van het erfdeel van vader (conform het bepaalde in het testament), na aftrek van de hierover verschuldigde erfbelasting (. . .) worden uitgekeerd aan de zoon (. . .).
“Bij een substantiële overdracht van de aandelen of een nieuwe contractspartij zal er wel rekening moeten worden gehouden met een huurprijsaanpassing, maar dit is niet meer dan logisch aangezien een derde vanzelfsprekend geen aanspraak kan maken op de ‘huurkorting’ die [X] feitelijk verleent tot 1 januari 2015.”
“Partijen stellen hierbij vast dat na uitbetaling van het hierna in artikel 3 bedoelde Pro bedrag(hof: € 150.000,-)
alle eventuele bevoordelingen en of schenkingen zijn verrekend en dat partijen geen claims meer over en weer meer hebben terzake van de lage huur en of lage koopsom van de aandelen en of andere bevoordelingen”. Dit voorstel is door de dochters niet geaccepteerd. In het licht van deze feiten en omstandigheden heeft de zoon onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de giften aan de zoon al zijn verrekend bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder.