Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Relevante wet- en regelgeving
5.Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid van het beroep
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een onderneming met een domiciliëringsvergunning, voerde mediaspelers in en gaf deze aan onder bepaalde GN-codes met een tarief van 0%. Na een controle stelde de inspecteur een navordering van douanerechten vast wegens onjuiste tariefindeling en legde een uitnodiging tot betaling (UTB) op. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stond centraal of de rechten van de verdediging waren geschonden, of de UTB voldoende was gemotiveerd, de juiste tariefindeling van de mediaspelers, de herziening van de douanewaarde op grond van artikel 78 van Pro het CDW, en de vraag of de navordering tijdig was opgelegd. Het hof oordeelde dat de rechten van de verdediging niet waren geschonden, de UTB voldoende was gemotiveerd, en de mediaspelers terecht onder GN-code 8521 90 00 waren ingedeeld vanwege hun hoofdfunctie als videoweergaveapparaat.
Ten aanzien van de herziening van de douanewaarde stelde het hof vast dat belanghebbende een bewuste keuze had gemaakt voor de hogere transactiewaarde, maar dat deze keuze voortkwam uit een vergissing bij de tariefindeling. Daarom moet de inspecteur het herzieningsverzoek inhoudelijk beoordelen nadat belanghebbende dit cijfermatig onderbouwt. De navordering was tijdig opgelegd volgens de verzendtheorie. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de herziening betrof, bevestigde het voor de rest, en veroordeelde de inspecteur tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor het herzieningsverzoek douanewaarde en ongegrond voor de UTB; de inspecteur moet opnieuw beslissen over de herziening.