ECLI:NL:GHAMS:2016:99

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
200.151.995/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis eerste rechter na falen bewijs meerwerk en kosten zandcementvloer

In deze civiele zaak tussen Beemsterland Bouw & Interieur B.V. en geïntimeerde stond de vraag centraal of meerwerkopdrachten waren verstrekt en of kosten voor een zandcementvloer terecht aan geïntimeerde in rekening waren gebracht.

Het hof heeft in een eerder tussenarrest Beemsterland toegelaten bewijs te leveren over de meerwerkposten, maar Beemsterland heeft daarna afgezien van het aandragen van verdere bewijsstukken of het horen van getuigen. Hierdoor kon het hof de stellingen van Beemsterland niet als juist aannemen, temeer daar geïntimeerde gemotiveerd betwistte dat dergelijke meerwerkopdrachten waren gegeven.

Ook de grief betreffende de kosten van de zandcementvloer faalde, omdat Beemsterland onvoldoende concreet bewijs aanbood dat deze kosten na 23 april 2012 uit de totaaltelling waren geschrapt, terwijl geïntimeerde dit betoog gemotiveerd weersprak.

Het hof concludeerde dat geen van de grieven slaagde en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Beemsterland werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de grieven van Beemsterland af wegens gebrek aan bewijs.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.151.995/01
zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 590555 CV EXPL 13-898
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BEEMSTERLAND BOUW & INTERIEUR B.V.,
kantoorhoudende te Noordbeemster, gemeente Beemster,
appellante,
advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden.

1.Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom Beemsterland en [geïntimeerde] genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 27 oktober 2015 een tussenarrest gewezen. Beemsterland heeft daarna om arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1
In het tussenarrest heeft het hof Beemsterland toegelaten tot bewijs van haar stelling dat de meerwerkposten “houten wand bij badkamer met zware balk”, “houten constructie wand trapopgang Fam [Y] ”, “extra uurloon inhuren (heeroms timmerbedr) in bouwvakvak.” en “begeleiding Dhr [X] voor asbest probleem” met [X] zijn besproken althans dat [X] daarmee heeft ingestemd. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.
2.2
Bij rolmededeling heeft Beemsterland laten weten dat zij afziet van het horen van getuigen en/of het aandragen van bewijs. Zij heeft het hof gevraagd arrest te wijzen.
2.3
Bij gebreke van verdere bewijslevering kan de stelling van Beemsterland ter zake van meerwerk niet als juist worden aanvaard, nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat meerwerkopdrachten zijn verstrekt. Voor zover grief 4 van Beemsterland nog niet in het tussenarrest was afgedaan, wordt thans geoordeeld dat deze ook voor het overige faalt.
2.4
Grief 5 van Beemsterland betreft het oordeel van de kantonrechter dat de kosten voor de zandcementvloer ten bedrage van € 803,25 aan [geïntimeerde] moeten worden terugbetaald, omdat [geïntimeerde] dit bedrag wel heeft betaald maar het werk niet is uitgevoerd. Beemsterland betoogt ook in hoger beroep dat de bewuste werkzaamheden én de daarmee samenhangende kostenpost na (het stuk van) 23 april 2012 uit de totaaltelling zijn geschrapt, zodat het bedrag niet aan [geïntimeerde] in rekening is gebracht en dus ook niet moet worden terugbetaald. Nu [geïntimeerde] het betoog van Beemsterland gemotiveerd heeft weersproken door aan te voeren dat en waarom na 23 april 2012 geen nadere afspraken zijn gemaakt en Beemsterland niet voldoende concreet heeft aangeboden zijn stelling te bewijzen, kan het hof niet van de juistheid daarvan uitgaan. Ook grief 5 faalt daarom.
2.5
Met inachtneming van het tussenarrest luidt de slotsom als volgt. Geen van de grieven treft doel. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Beemsterland dient, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het geding in hoger beroep te worden veroordeeld.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Beemsterland in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 308,= aan verschotten en € 1.788,= aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.H. de Bock en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2016.