Uitspraak
2.Verdere beoordeling
3.Beslissing
E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak tussen Cargo Shipping International B.V. (CSI) en BD&G Logistics B.V. stond centraal of BD&G een medewerker had gemachtigd om namens haar vervoersopdrachten te geven aan CSI. Na een eerder tussenarrest heeft het hof getuigen gehoord en bewijsstukken bestudeerd.
CSI voerde aan dat een medewerker van BD&G, genaamd [A.], gemachtigd was om opdrachten te geven, ondersteund door een verklaring van een getuige die stelde dat dit tijdens een bijeenkomst in Hamburg was afgesproken. BD&G betwistte dit en bracht een voormalige bestuurder als getuige die verklaarde dat [A.] nooit gemachtigd was om zelfstandig opdrachten te verstrekken.
Het hof oordeelde dat de verklaring van CSI onvoldoende bewijs vormde tegenover de tegenstrijdige verklaring van BD&G. Daardoor kon niet worden aangenomen dat BD&G via [A.] opdrachten had gegeven of dat CSI daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De vorderingen van CSI werden daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van CSI af wegens onvoldoende bewijs van bevoegdheid tot het geven van vervoersopdrachten.