ECLI:NL:GHAMS:2017:121
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezagskwestie bij verblijf kinderen in buitenland
De Raad voor de Kinderbescherming stelde een verzoek in tot schorsing van het gezag van de moeder en ondertoezichtstelling van de kinderen. De kinderrechter verklaarde zich onbevoegd omdat de kinderen niet meer in Nederland verbleven. De Raad ging in hoger beroep tegen deze onbevoegdheidsverklaring.
De moeder had de kinderen uitgeschreven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen en zij verbleven sinds april 2016 respectievelijk in Florida, Verenigde Staten en in België. De moeder wilde met de kinderen naar de Verenigde Staten verhuizen, maar vanwege het ontbreken van een reistoestemming vestigde zij zich met haar jongste kind en echtgenoot in België.
Het hof overwoog dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bepalend is voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgens Brussel II-bis-verordening en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gezien de feitelijke omstandigheden en de intenties van de moeder was de gewone verblijfplaats van [kind a] in Florida en van [kind b] in België op het moment van het verzoek. De Nederlandse rechter is daarom niet bevoegd, en de bestreden beschikking werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is niet bevoegd omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten en België hebben.